Iedereen geslaagd! Wat betekenen slaagcijfers in het hoger onderwijs nog?

Meteen geslaagd in mijn eerste jaar! Gedelibereerd voor een aantal vakken … Bissen helaas. Klinkt bekend in de oren, maar zo stilaan wordt dit archaïsch taalgebruik. De termen 'jaar' en 'vakken' hebben plaatsgemaakt voor 'opleidingsfase' en 'opleidingsonderdelen'. Sinds de invoering van een opleidingsmodel (ter vervanging van het jaarmodel) heeft ook de term 'slagen' een andere definitie gekregen.

  1. Waarom ‘slagen’ een andere betekenis kreeg
  2. Diplomaruimte als opleidingsmodel
  3. Studie-efficiëntie als parameter
  4. Wat betekent slagen / niet slagen dan nog?
  5. Studievoortgang als alternatieve maat
  6. Nuttige links

Waarom ‘slagen’ een andere betekenis kreeg

In het oude jaarsysteem was je geslaagd als je de examens van alle vakken van een jaar (bv. eerste kandidatuur) succesvol aflegde. Een aantal onvoldoendes kon gedelibereerd worden. Was het aantal onvoldoendes te groot, dan moest je het volledige vakkenprogramma van het jaar opnieuw afleggen. Een paar uitzonderingen: in bepaalde gevallen kon je een aantal vakken ‘overdragen’ (je was niet geslaagd voor het jaar, maar je moest toch niet alle vakken overdoen) of een individueel aangepast jaar volgen (vakken ‘voorafnemen’ uit hogere jaren).
Trissen (driemaal inschrijven voor een programmajaar van eenzelfde niveau) kon in principe niet, tenzij je toelating kreeg.
In 2003 werd de bachelor-masterstructuur ingevoerd en het jaar nadien ging het flexibiliseringsdecreet van kracht. Allerlei maatregelen werden ingevoerd, waaronder de mogelijkheid om het jaarsysteem te verlaten. In 2004 werd ook de ‘credit’ als eenheid ingevoerd. Wie 10/20 haalt voor een opleidingsonderdeel, behaalt zijn creditbewijs en moet het opleidingsonderdeel niet meer hernemen. De credit wordt ook gebruikt voor de opbouw van opleidingen, de financiering van het hoger onderwijs en het leerkrediet van de studenten.
In 2009-2010 verlaat de KU Leuven het programmajaarsysteem en stapt over naar een opleidingsmodel: de diplomaruimte. Het jaarsysteem is door de flexibilisering uitgehold. Maar liefst 25 % van de studenten zit in een individueel traject (voorafnames, cumul, verkort bachelortraject, schakel- of voorbereidingsprogramma …). Daarnaast spelen de internationale context en de invoering van het leerkrediet.

Diplomaruimte als opleidingsmodel

Vanaf 2009-2010 schrijf je je niet langer in voor een jaar, maar voor een opleiding. De jaarlijkse deliberatie valt bijgevolg weg. Er is nog maar één deliberatie op het einde van de opleiding.
Er is geen structuur in jaren meer (en dus ook geen voorafnames of cumul meer), maar we laten de studenten niet in chaos achter.

  • Elke opleiding krijgt een duidelijk vastgelegd standaardtraject met verschillende opeenvolgende fasen. De student weet zo precies hoever hij staat in zijn traject.
  • Startende studenten krijgen een vast programma aangeboden van +/- 60 studiepunten (wat overeenkomt met de eerste opleidingsfase)
  • Wie het standaardtraject volgt, krijgt de garantie op een volgbaar uur- en examenrooster
  • Afwijken van het standaardtraject kan (we spreken dan van een flexibel of geïndividualiseerd traject). Je kiest niet at random een aantal opleidingsonderdelen, maar op basis van volgtijdelijkheid. Wiskunde II kan bijvoorbeeld enkel wanneer je geslaagd bent voor wiskunde I.
  • Ten slotte worden er een aantal studievoortgangsmaatregelen ingevoerd, rekening houdend met de studie-efficiëntie.

Studie-efficiëntie als parameter

Na elke examenperiode krijgt een student de examenresultaten. Om te kijken hoe ‘efficiënt’ je door je studies spartelt, krijg je de cumulatieve studie-efficiëntie (CSE) mee.
Studie-efficiëntie is de verhouding tussen het aantal verworven studiepunten en het aantal opgenomen studiepunten. CSE is de studie-efficiëntie over het hele parcours van de opleiding. CSE wordt als centrale parameter gebruikt om de voortgang van de studenten op te volgen.
CSE is van belang bij herinschrijven of het inzetten van toleranties. Wie wil herinschrijven na het eerste jaar met een CSE van minder dan 50 %, krijgt een bindend studieadvies. Na twee jaar binnen dezelfde opleiding moet je minstens 50 % CSE behalen, anders mag je je derde jaar niet meer inschrijven. Ook moet je 50% CSE behalen om in aanmerking te komen voor een ter-inschrijving voor opleidingsonderdelen.
Jaarlijks delibereren is niet meer, wel kun je toleranties inzetten. Je kiest zelf voor welke opleidingsonderdelen (8/20 of 9/20) je dit doet. Dit kan enkel als je CSE minstens dan 50 % bedraagt. Uiteraard kan dit niet onbeperkt. Je tolerantiekrediet bedraagt 10 % van het aantal studiepunten. Vrijstellingen tellen niet mee voor het tolerantiekrediet en voor wie nog geen 60 studiepunten behaalt heeft, blijft het tolerantiekrediet beperkt tot 12 studiepunten.
Sinds 2010-2011 geldt een nultolerantie in de masteropleidingen en de lerarenopleiding.

Wat betekent slagen / niet-slagen dan nog?

Slagen voor een jaar kan dus niet meer. Wel kun je slagen voor een opleidingsonderdeel of voor de opleiding als geheel. Om de studenten niet aan hun lot over te laten in hun studietraject, werden verschillende studievoortgangsmaatregelen genomen (met o.a. een al dan niet bindend studieadvies). Maar met dit systeem wordt het voor scholen wel heel moeilijk om oud-leerlingen na een jaar op te volgen …

Studievoortgang als alternatieve maat

Om aan zulke vragen te voldoen, werd een nieuwe maat van studievoortgang ingevoerd.
Wanneer studie-efficiëntie de verhouding is tussen het aantal verworven studiepunten en het aantal opgenomen studiepunten, houdt de studievoortgang ook rekening met de ingezette toleranties. Per student plaatst men het aantal verworven studiepunten + de ingezette toleranties tegenover het aantal opgenomen studiepunten. De studievoortgang per opleiding is dan het aantal studenten met een studievoortgang van 100 % tegenover het aantal studenten (dat aan alle examens deelnam).
De studievoortganscijfers van de generatiestudenten in het academiejaar 2009-2010 werden gebundeld. De tabellen stellen het aantal studenten voor dat de volledige studievoortgang behaalde (een studievoortgang van 100 %). Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de studievoortgang van het aantal ingeschreven studenten en het aantal studenten dat aan alle examens deelnam.