In het donker

In een schuurtje bewaarde de boktor van alles: slurven, steeltjes, grote oren, schubben, veren, achtertenen, stekels, vinnen en ook woede, tegenzin, hulpeloosheid, schroom, eenzaamheid, en andere dingen die de dieren hadden weggegooid omdat ze er schoon genoeg van hadden en er ook nooit meer aan wilden denken. Soms, als hij niets te doen had, zette hij van die oude spullen een dier in elkaar,  bijvoorbeeld een schroomvallige nachtoliworm, die kon vliegen, trompetteren, neerstorten en aan- en uitgaan. Of een woedende aardslak, die kon fladderen en ontploffen. Maar het liefst maakte de boktor sterren, die hij in de hemel hing en die na een tijdje omlaag vielen en een lange lichte streep in de hemel achterlieten. Dan lag hij op zijn rug in het gras, in het donker, keek naar boven en wenste niets, niets anders meer.

Uit: de eenzaamheid van de Egel, Toon Tellegen.