God en het lijden - Het verhaal van Job

Gepubliceerd op:
01 Februari 2006
node-header

Heilige Job (kerk van Enschot, Nederland, 1870)

1. Ter inleiding

De bijbelse overlevering is allesbehalve levensvreemd. Ook al neemt God in de meeste boeken van Oude en Nieuwe Testament een prominente plaats in, ook de mens en zijn gelovige reflectie staan erin centraal. Meer nog, God komt nooit als abstractie ter sprake, maar wordt in de bijbelse overlevering betrokken in wat mensen dagdagelijks mee- en doormaken.
Immers, het zou getuigen van een groteske kortzichtigheid te denken dat het menselijke leven geheel en al bepaald wordt door rationeel bezig zijn en intentioneel plannen. Niettegenstaande de sterke nadruk van de moderniteit op de rationaliteit die zich onaantastbaar waant, blijkt uit de talloze ervaringen dat deze zienswijze schromelijk tekort schiet. Zeer fundamenteel, wanneer het er écht op aankomt, heeft de mens soms helemaal niets te plannen. Heel veel fundamentele dingen 'overkomen' ons, zetten ons met de rug tegen de muur in verlammende machteloosheid, slaan - soms in één ogenblik - grote dromen stuk, veranderen in een oogwenk al wat we dachten te realiseren. Pijn en verdriet horen bij het leven. Ze maken er intrinsiek deel van uit. Van kindsaf hebben we dat gevoeld en geleerd, beseffen we dat, zijn we het zelfs heel gewoon gaan vinden. Tranen horen bij het leven, voor een kind van drie en voor een mens van tachtig. Verdriet, pijn en lijden maken deel uit van de werkelijkheid waarin we groot worden.
Over deze menselijke emoties van lijden en verdriet, én van opstandigheid ertegen, handelt deze module. Vooral het onverdiende lijden is voor ieder die ermee geconfronteerd wordt een enigma. Pijn en lijden in al hun zinloosheid roepen vele prangende vragen op, roepen weerstand en opstandigheid op, en stellen voor de gelovige ook de verantwoordelijkheid van God in die context aan de orde. Dat was niet anders voor de bijbelse mens.

2. God en het lijden

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureleft/_medium/job-en-zijn-vrouw(1).jpg

Job en zijn vrouw (A. Dürer, 1471-1528)

Wie met onverdiend lijden wordt geconfronteerd ervaart de eindigheid en de beperktheid van het bestaan op een bijzondere wijze. Lijden dat mensen over-komt, binnen-breekt in het bestaan en alles omver kan werpen... Wanneer mensen worden getroffen door lijden - tegenslag, ziekte of dood -, dan steekt steevast de waarom-vraag de kop op. Waarom krijg ik kanker? Waarom wordt ons kind door een snelheidsduivel van de weg gemaaid? Voor gelovige mensen is er nog een extra dimensie: waar, in Gods naam, is God in dit lijden? Waarom laat God toe dat die snelheidsduivel ons kind tegenkomt en dan nog juist op een ogenblik dat ze op weg is om op een mooie zondagmorgen in het parochiekoor te zingen?
Deze twee vragen zijn van alle tijden. Ook de oudtestamentische literatuur - boeken van mensen voor mensen over een God die geen mens ooit vatten kan - kan er dus niet omheen. En hoewel deze vragen en de verzuchting die ermee gepaard gaat her en der in de bijbel aanwezig blijken, komt de kwestie voornamelijk in de zogenaamde wijsheidsliteratuur aan bod. Vooral echter het boek Job stelt de kwestie van het lijden van de rechtvaardige bij uitstek aan de orde.
Het boek Job worstelt met de vraag naar het waarom tout court, met de vraag naar de betrokkenheid van God in het lijden, maar vooral ook met het ontbreken van een sluitend antwoord erop. In dit verband moet beklemtoond worden dat de figuur van Job geenszins een historisch personage is. Het is een literaire figuur, een soort Elckerlyc die staat voor ieder van ons en die geldingskracht heeft voor alle tijden. Dit is overigens kenmerkend voor de oudtestamentische Wijsheidsliteratuur als dusdanig

A. Het boek Job: opbouw en raamverhaal

Het boek Job is niet ontstaan 'op Jobs mesthoop'. Het is een doordacht gecomponeerd, literair en theologisch werk dat nadenkt over een van de meest prangende existentiële kwesties, met name het lijden van een 'goede mens', een rechtvaardige. In het boek Job kunnen twee grote onderdelen worden onderscheiden. De raamvertelling (hoofdstukken 1-2 en 42,7-17) is geschreven in proza. Het corpus van het boek (Job 3,1-42,6) is poëtische literatuur. Hoewel beide delen in de finale tekst op elkaar zijn afgestemd en onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, toch weerspiegelen ze wellicht nog de groei van het geschrift, waarbij men veelal aanneemt dat het raamverhaal de oudste materialen bevat. In ieder geval reflecteren raamvertelling en corpus verschillende visies op Jobs lijden en de relatie tussen lijden en God.

1. De proloog: Job 1-2

Bij de aanvang van de raamvertelling wordt de centrale figuur, Job, naar wie het boek is genoemd, voorgesteld als een rechtvaardig en gelovig man:

"Hij was rechtschapen en onberispelijk, hij had ontzag voor God en meed het kwaad"
(Job 1,1).

Impliciet wordt in de volgende verzen duidelijk gemaakt dat deze levenswandel Job geen windeieren heeft gelegd:

"Job had zeven zonen en drie dochters. Hij bezat zevenduizend schapen en geiten, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een groot aantal slaven en slavinnen. Hij was de aanzienlijkste man van het Oosten"
(Job 1,2-3).

Door de verbinding tussen Jobs rechtschapenheid en zijn welstand wordt de gangbare wijsheidsvisie uitgedrukt: wie goed doet, goed ontmoet. Ook in andere Wijsheidsboeken van het Oude Testament treft men deze 'vergeldingsleer' geregeld aan. Omgekeerd impliceert deze visie echter dat wie met lijden en ongeluk wordt geconfronteerd, dit te danken zou hebben aan verkeerd of, in religieuze termen, zondig gedrag. Daarenboven was men er van overtuigd dat ook slechtheid van de ouders repercussies kon hebben op de kinderen. Zo citeert de profeet Ezechiël het oude Israëlitische spreekwoord:

"Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden"
(Ezechiël 18,2).

Het verhaal over de genezing van de blindgeborene in het nieuwtestamentische Johannesevangelie weerspiegelt eveneens nog deze opvatting. Bij het zien van een blindgeborene vragen de leerlingen aan Jezus:

"Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?"
(Johannes 9,2).

Job ging alles klaarblijkelijk voor de wind. Echter, al gauw komt Jobs tegenspeler naar voren: 'de satan'. Letterlijk betekent deze term 'de tegenstander', waarbij het gebruik van het lidwoord duidelijk maakt dat het hier niet om een eigennaam gaat, maar om een zelfstandig naamwoord. Hij is dan ook niet de 'duivel'. Hij neemt als het ware de functie op zich van 'advocaat van de duivel', die, blijkens Job 1,6, deel uitmaakt van Gods hemelse raad. Geheel conform de boven geschetste visie, trekt de satan de zuiverheid van Jobs rechtschapenheid en ontzag voor God in twijfel:

"Zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor God hebben?"
(Job 1,9).

Met andere woorden, is Jobs gedrag en geloof niet ingegeven door eigenbelang? De satan gaat zelfs een weddenschap aan met God: wanneer Job in zijn bezit wordt geraakt, dan zal het niet lang duren vooraleer hij God vervloekt. De satan krijgt van God dan ook de toestemming om Job in zijn bezittingen te raken. Job verliest zijn veestapel en zelfs al zijn kinderen komen om. Ondanks deze zware verliezen houdt Job vast aan zijn vroomheid. De Job van de proloog reageert op het lijden zoals de traditionele regels het voorschrijven: hij scheurt zijn kleren, scheert zijn hoofd kaal en werpt zich neer in het stof. En met wellicht traditionele geloofsformules reageert hij spontaan:

"Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De heer heeft gegeven, de heer heeft genomen"
(Job 1,21).

Hij voegt er zelfs aan toe: "De naam van de heer zij geprezen". Job spreekt hier de taal van het volksgeloof. Maar opnieuw richt de satan zich tot God. Hij drijft het op de spits. Deze keer stelt hij voor om hem in zijn eigen lichaam te treffen: wedden dat Job God dan wel zal vervloeken... En Job wordt van kop tot teen overdekt met kwaadaardige zweren. Jobs reactie is nu al wat minder ingegeven door de stereotiepe formules van het volksgeloof. Hij zegent God niet meer, maar legt nog alleen de nadruk op het aanvaarden van zijn lijden:

"Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?"
(Job 2,10).

Jobs houding in de proloog wekt ogenschijnlijk de indruk dat voor een gelovige de juiste houding ten aanzien van lijden bestaat in het berustende en gelaten aanvaarden ervan. Onder andere de christelijke traditie heeft in deze voorstelling van de vrome en gelaten Job het typevoorbeeld van de lijdende mens gezien: men legt zich best gelaten neer bij het door God georchestreerde menselijke lijden. Typerend in dit verband is bijvoorbeeld de aanmaning van de door paus Johannes Paulus II heilig verklaarde José Escrivá de Balaguer, de stichter van het Opus Dei:

"Heb je grote tegenslagen? Heb je grote moeilijkheden? Zeg dan langzaam, woord voor woord, bijna proevend, dit krachtige en mannelijke gebed: 'Moge de zeer rechtvaardige en beminnelijke Wil van God gedaan, vervuld en geprezen worden en eeuwig verheerlijkt boven alle dingen. Amen. Amen'. Ik verzeker je, dat je de vrede zult vinden"
(J. Escrivá de Balaguer, De Weg, Amsterdam - Brussel, 21972, p.180).

Nochtans komt in de proloog van het boek Job ook een geheel andere houding ten aanzien van het menselijk lijden in de reactie van Jobs vrouw. Slechts eenmaal komt ze in het boek aan het woord, wanneer ze zich tot Job richt:

"Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God toch en sterf".

In haar aanmaning zich van God af te keren lijkt Jobs vrouw het andere uiterste van de omgang met lijden te representeren. Ook deze reactie van afkeer van God is frequent voorkomend bij mensen die met lijden worden geconfronteerd, of ze nu in God geloven of niet: als God zou bestaan, dan zou hij deze miserie toch niet toelaten? En: hoe kan men toch geloven in God als men met al dat lijden wordt geconfronteerd?

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictures_bottom_middle/_medium/satan-kwelt-job-(william-blake).jpg

Satan kwelt Job met pijnlijke zweren (W. Blake, 1757-1827)

2. De epiloog: Job 42,7-17

Wanneer in de proloog van het boek Jobs gelovige berusting centraal lijkt te staan, dan zou de epiloog (Job 42,7-17) zelfs kunnen suggereren dat Jobs houding ten aanzien van het lijden zijn vruchten afwerpt. Immers, de laatste verzen geven de indruk dat Job uiteindelijk om zijn geduldige en gelaten-gelovige aanvaarding van het lijden door God wordt beloond:

De heer zegende Job in zijn latere leven nog meer dan in zijn vroegere, en zo kreeg Job veertienduizend schapen en geiten, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen. Ook kreeg hij zeven zonen en drie dochters. (...) In het hele land waren geen mooiere vrouwen dan de dochters van Job. En hun vader gaf aan hen een even groot erfdeel als aan hun broers. Hierna leefde Job nog honderdveertig jaar en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen opgroeien, tot in het vierde geslacht. En toen stierf Job, oud en verzadigd van het leven.
(Job 42,12-17)

Hoewel deze verzen niet uitdrukkelijk stellen dat Job in zijn bezit wordt hersteld omdat hij op een juiste wijze over God is blijven spreken, toch kunnen ze de indruk wekken dat men uiteindelijk toch zal beloond worden, wanneer men zich in zijn lijden schikt en er God niet om vervloekt. Daarmee wordt dan de gangbare vergeldingsleer - "wie goed doet, goed ontmoet" - aangehouden. Dat deze invulling van het raamverhaal het lijden van mensen werkelijk banaliseert, hoeft geen betoog. Hoe groter het lijden, des te groter de beloning, als men maar vasthoudt aan zijn geloof in God. Leg dit maar eens uit aan de ouders wier enig kind door de schuld van een roekeloze snelheidsduivel om het leven kwam!

B. Het centrale gedeelte van het boek: Job en de "vrienden" in gesprek

 
afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictures_bottom_middle/_medium/job-en-zijn-vrienden-(ilja-repin).jpg

Job en zijn vrienden (I. Repin, 1844-1930)

1. De argumentatie van de "vrienden"

Wanneer het kwaad mensen treft, krijgt men verschillende antwoorden op de vraag naar het waarom van dit lijden. In de proloog sprak Job de taal van het volksgeloof, terwijl Jobs vrouw in confrontatie met het lijden het godsgeloof afzweert. Aan het einde van de proloog worden ook drie vrienden van Job ten tonele gevoerd. Wanneer Elifaz, Bildad en Sofar Jobs ellende vernemen, zoeken ze hem op. Hun eerste reactie bij het zien van de met zweren overdekte Job is er een van intens medeleven. Conform het gangbare gebruik weeklagen ze, ze scheuren de kleren en werpen stof omhoog. En de tekst vervolgt:

"Zeven dagen en zeven nachten bleven ze naast hem op de grond zitten zonder iets tegen hem te zeggen, want ze zagen hoe vreselijk hij leed".

In het derde hoofdstuk zal Job dit stilzwijgen op een zeer radicale wijze doorbreken:

"Daarna opende Job zijn mond en vervloekte de dag van zijn geboorte".

Het tweede deel van het boek (hoofdstukken 3-31) vangt dan ook aan met een uitgebreide klacht van Job (Job 3):

Laat de dag dat ik geboren ben vergaan,
en ook de nacht die zei: "Een jongen is verwekt."
(Job 3,3)

Waarom ben ik niet in mijn moeders schoot gestorven,
niet gestikt toen ik ter wereld kwam!
(Job 3,11)

Als reactie op Jobs klacht doorbreken zijn vrienden hun stilzwijgen. Er volgen drie gespreksrondes, waarin afwisselend Elifaz, Bildad en Sofar het woord nemen. Ieder van de drie onderneemt daarbij pogingen om Jobs lijden te verklaren en te legitimeren en Jobs klacht van repliek dienen. Daarbij komen vooral de volgende elementen van antwoord ten aanzien van Jobs lijden aan de orde. In de eerste plaats wordt Jobs lijden verklaard door te refereren aan de menselijke contingentie en nietigheid. Het feit dat de mens 'schepsel' is en vergankelijk, impliceert dat hij ook eindig is en onvolmaakt:

Zelfs in zijn dienaren stelt God geen vertrouwen,
ook bij zijn engelen bespeurt hij nog gebreken.
Hoeveel te meer dan bij de mens, wonend in zijn huis van leem,
met fundamenten in het stof.
Hij is een mot: men drukt hem dood.
Van de ochtend tot de avond afgepijnigd
gaat hij onbemerkt ten onder, voor eeuwig weggevaagd.
De koorden van zijn tent zijn losgerukt,
hij sterft en heeft de wijsheid niet gekend"
(Job 4,18-21)

Hoe kan een mens nu zuiver zijn,
wie uit een vrouw geboren is, onschuldig?
Zelfs in de engelen stelt God geen vertrouwen,
ook de hemel is niet zuiver in zijn ogen.
Hoezeer wordt dan de mens verafschuwd,
die verdorven is en het kwaad als water drinkt.
(Job 15,14-16)

Naast de verwijzing naar de menselijke schepselijkheid, loopt vooral de visie als was lijden het gevolg van schuld - de traditionele vergeldingsleer met als leuze: "wie rampspoed zaait, zal het ook oogsten" (Job 4,8) - als een rode draad doorheen het boek:

Nee, het licht van de goddeloze dooft,
de gloed van zijn vuur vlamt niet meer op
In zijn huis wordt alles donker,
het licht dat hem omringde dooft.
Van zeker wordt zijn tred krampachtig,
zijn boze opzet laat hem struikelen.
Zijn voeten voeren hem ten val,
een net verstrikt hem op zijn weg.
Een klem grijpt om zijn hiel,
een strop houdt hem gevangen.
In de grond is voor hem een touw verborgen,
over zijn pad een strik gespannen.
De verschrikking staart hem allerwegen aan
en jaagt hem voort bij elke stap.
De honger put zijn krachten uit,
de rampen wijken niet meer van zijn zijnde
(Job 18,5-12).

Meer nog, Job wordt er zelfs concreet van beschuldigd allerlei misstappen te hebben begaan die aan de basis van zijn lijden zouden liggen. Elifaz stelt het als volgt:

Je weet toch dat je levenswandel slecht is,
dat je zonden ontelbaar zijn?
Zonder reden eiste je een pand van je naaste
en armen nam je zelfs hun kleding af.
Wie uitgeput was weigerde je water,
brood onthield je hem die honger had.
Ja, de gewelddadige bezit het land,
de nietsontziende heeft er zijn macht gevestigd.
Weduwen heb je weggestuurd met lege handen,
de krachten van wezen, heb je gebroken.
Daarom staan er valstrikken rondom
en raak je plotseling door angst ontzet
(Job 22,5-10).

2. Jobs protest

Job revolteert niet alleen tegen zijn lijden. Meer nog, en hier gaat het boek klaarblijkelijk over, hij weigert zich neer te leggen bij de verklaringen die Elifaz, Bildad en Sofar voor zijn lijden geven. Tegen de verwijzing naar de menselijke contingentie voert hij aan dat het God zelf is die hem heeft willen treffen:

"De pijlen van de Ontzagwekkende steken in mij, mijn geest wordt door hun gif vergiftigd. Voor mij staat de slagorde van Gods verschrikkingen"
(Job 6,4).

Voorts beklemtoont Job onophoudelijk de oprechtheid van zijn levenswandel. Job schreeuwt het dan ook uit:

"Ik ben rechtschapen!"
(Job 9,21).

Geheel anders dat zijn vrienden legt hij de schuld van zijn lijden juist bij God. Dit komt zeer uitdrukkelijk tot uiting in Jobs lange monoloog (Job 29-31) die de drie gespreksrondes afsluit:

Het laatst van al zal ik jullie gelijk erkennen,
tot aan mijn dood houd ik mijn onschuld staande.
Ik blijf bij mijn rechtschapenheid, tot het einde toe,
over mijn leven heb ik mijzelf niets te verwijten
(Job 27,5-6).

Ik roep u om hulp, maar u antwoordt niet;
ik sta voor u, maar u wilt mij niet zien.
U bent wreed tegen mij geworden,
met al uw kracht hebt u zich tegen mij gekeerd
(Job 30,20-21)

Met andere woorden, na 31 hoofdstukken is Jobs vraag nog steeds niet opgelost. Daardoor maakt alleen al de vorm van het boek het probleem, of beter het enigma, van het lijden duidelijk. Doorheen de zeer lange beschouwingen van de vrienden - drie gespreksrondes -, en de al even lange weerleggingen ervan door Job, toont de auteur aan dat er eigenlijk geen sluitend antwoord ís op het probleem van het menselijke lijden. Aan de discussie over het lijden komt nooit een eind. In dergelijke discussie is het gangbaar dat sommige partijen de hoop op consensus opgeven, juist omdat er toch geen eind aan dergelijke debatten komt. Zo ook in het boek Job. De derde gespreksronde is dan ook van een heel andere aard dan de eerste twee. Bildads toespraak is zeer kort en Sofar neemt zelfs het woord niet meer. Alleen Job blijft doordrammen. Hij is dan ook betrokken partij bij uitstek. Hij kan en wil zich niet neerleggen bij zijn situatie. Aan het einde van zijn afsluitende monoloog legt hij de bal nogmaals in Gods kamp en daagt hij God uit zich te verantwoorden:

O, wilde er maar iemand luisteren!
Ik sta in voor wat ik heb gezegd.
Laat nu de Ontzagwekkende antwoord geven
laat mijn tegenstander zijn klacht boekstaven!
(Job 31,35).

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictures_bottom_middle/_medium/jobs-beproeving.jpg

Jobs beproeving (G. Doré, 1832-1883)

3. Elihu, de verdediging van God

Echter, vooraleer God aan het woord komt, treedt een vierde, tot nog toe niet genoemde personage naar voren, met name Elihu. Blijkens Job 32,1-6 had hij de discussies tussen Job en zijn vrienden gevolgd, maar had hij zich in niet in het debat gemengd. Aangezien Elifaz, Bildad en Sofar er niet in geslaagd waren Job tot inzicht te brengen, neemt hij het woord. Hij keert zich daarbij zowel tegen Job als tegen Jobs vrienden. Elihu verwijt Job dat hij zichzelf rechtvaardiger acht dan God. De drie vrienden op hun beurt verwijt hij dat ze er niet in geslaagd zijn om Job tot inzicht te brengen dat zijn lijden een reden heeft. Elihu neemt de verdediging van God op zich. Anders dan Elifaz, Bildad en Sofar beklemtoont hij vooral de goddelijke bedoeling van het lijden: het lijden is een vorm van goddelijke vermaning die tot doel heeft de mens van het verkeerde levenspad af te brengen:

In de dromen en visioenen van de nacht,
in de tover van de diepste slaap,
of wanneer hij ligt te sluimeren,
opent God de oren van de mens
en laat hem schrikken - een waarschuwing
om hem af te houden van een slechte daad,
om hem voor hoogmoed te vrijwaren.
Hij behoedt hem voor de val in de afgrond,
voor het oversteken van de doodsrivier.
Of de pijn op zijn ziekbed wijst hem terecht,
de nooit aflatende strijd in zijn lichaam,
waardoor hij geen voedsel verdraagt
en walgt van zijn lievelingsgerecht.
Hij teert weg tot een schim van zichzelf,
en zijn botten, eerst onzichtbaar, steken uit.
Hij kruipt naar de afgrond,
nadert de herauten van de dood
(Job 33,15-20).

Door mensen met lijden te straffen voor begane misstappen opent God "hun de oren voor zijn vermaning en zegt hun het kwaad de rug toe te keren" (Job 36,10), door "tegenspoed opent hij hun de ogen" (Job 36,15). Zelfs wanneer rechtvaardigen worden getroffen, dan is dit, aldus Elihu, "om slechte daden te onthullen, misstappen, die uit trots zijn voortgekomen" (Job 36,9). Ook met deze houding knoopt Elihu aan bij de traditionele wijsheidsvisie. Op zijn argument is het aan het oudtestamentische boek Spreuken (Job 13,24) ontleende spreekwoord van toepassing: "Wie zijn kind liefheeft, spaart de roede niet". Daarmee reageert Elihu op Jobs verwijt als zou God zwijgen in het lijden. Gods spreken bestaat juist in het lijden dat de mens treft. En vermits Gods wegen ondoorgrondelijk zijn (Job 36,27-29) is de enige juiste houding van de mens er een van ontzag voor God (Job 37,24).

C. God zelf aan het woord. Eindelijk een antwoord?

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureright/_medium/job-in-zak-en-as.jpg

Job in zak en as (G. Doré, 1832-1883)

Na Elihu's uiteenzetting neemt uiteindelijk God in Job 38,1 zelf het woord. Gods redevoering bestaat uit twee delen (38,2-40,2 en 40,6-41,26), waarop Job telkens kort repliceert (40,3-5 en 42,1-6). In zijn toespraken acht God het niet eens waard om op de argumenten van de vrienden in te gaan. De mogelijkheid dat misstappen aan de wortel van Jobs lijden zouden liggen wordt door God eenvoudigweg genegeerd. Meer nog, in de epiloog van het boek wijst God de drie vrienden expliciet terecht. Tot Elifaz zegt God: "Ik ben in woede ontstoken tegen jou en je twee vrienden, omdat jullie niet juist over mij hebben gesproken" (42,7). Maar ook op het concrete lijden van Job gaat God in zijn redevoeringen niet in. Zoals elke lijdende mens blijft ook Job uiteindelijk zitten met zijn vraag. Het enige wat God in twee toespraken doet is de grootsheid van de schepping ter sprake brengen. In de eerste toespraak spreekt God over de schepping als een mysterie. Daarbij geeft Hij geen antwoord op de vraag van het lijden. Integendeel, hij bestookt Job met de ene vraag na de andere:

Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet.
Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch?
Wie strekte het meetlint over haar uit?
Waar zijn haar sokkels verankerd,
wie heeft haar hoeksteen gelegd,
terwijl de morgensterren samen jubelen
en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde?
En wie sloot de zee af met een deur,
toen ze uit de schoot van de aarde brak?

Waar God in zijn eerste toespraak de grootsheid van de schepping en haar ordening in de schijnwerpers zet, refereert hij in de tweede redevoering aan het chaotische in de schepping. Dit gebeurt vooral door de verwijzing naar de oermonsters Behemot en Leviathan, die, hoewel ze zonder meer tot schepselen zijn gereduceerd, de chaotische krachten in de schepping belichamen. God had in zijn scheppingsplan een zuivere en volmaakte orde voor ogen (zie de passage over Genesis1,1-2,4), waarin de machten van de chaos geheel aan banden werden gelegd en waarin lijden of geweld geen plaats zouden hebben. Echter, in werkelijkheid blijft de verstoring van de intentionele ordening door de chaos een mogelijkheid.

Er lijkt ons in dit verband een opmerkelijke parallellie waarneembaar tussen het scheppingsverhaal in Genesis 1,1-2,4 en Gods tweede toespraak in Job. In het eerste verhaal blijkt dat God niet uit het niets schept. Het betreft geen creatio ex nihilo. Integendeel, de chaos bleek de initieel aanwezige kosmische macht. Precies aan deze chaos legt God grenzen op, door het feit dat ze ingebouwd wordt in het ritme van een geordende schepping. Echter, ook in die context blijft de potentieel dreigende kracht van de chaos bestaan. Op analoge wijze lijkt de tweede toespraak van God in Job, door de verwijzing naar de oermonsters Behemot en Leviathan, te stellen dat deze als belichaming van de chaos weliswaar als 'schepselen' in de schepping ingeordend zijn, maar niettemin wezenlijk chaotisch of 'kwaad' blijven. Hierin lijkt gesuggereerd te worden dat het lijden nu eenmaal deel uitmaakt van de chaos. Als een vorm van chaos, blijkt het lijden bijgevolg een onlosmakelijk deel van de schepping te zijn.

Echter, opmerkelijk is dat God, in dezelfde verhaaltraditie, niet degene was die de chaos schiep. God staat niet aan de oorsprong van de chaos. De chaos was voorgegeven, primordiaal vóór de schepping. Genesis 1,1 vermeldt de chaos en de duisternis namelijk als de beginsituatie waarin God met de schepping een aanvang maakt. Met andere woorden, het lijden dat intrinsiek deel uitmaakt van de chaos was er al vóór God de schepping tot stand bracht. In die schepping heeft God aan deze chaos grenzen opgelegd, maar ze blijft bestaan.

D. Conclusie

In het bijbelse boek Job zijn dogmatische of filosofische discussies over de onverenigbaarheid van Gods almacht of goedheid met het lijden geenszins aan de orde. Het lijden is deel van de chaos. Als dusdanig gaat het boek Job niet in de eerste plaats over de relatie tussen God en het menselijke lijden. Wel lijkt het, vooral in de eerste zevenendertig hoofdstukken, te gaan over de houding die de mens ten aanzien van God aanneemt, wanneer hij door het lijden als manifestatie van de chaos wordt geconfronteerd. Met die attitude had men het zovele eeuwen geleden al moeilijk... Daar is vandaag nog niet veel aan veranderd. Het blijft een moeilijke kwestie. Het besef dat de oudtestamentische mens er ook mee vocht, lijkt in elk geval ten overvloede te bevestigen dat de bijbelse literatuur fundamenteel en existentieel verworteld is in het menselijke leven. Ze kan dan in heel wat opzichten 'vreemd' zijn, in geen geval is ze 'levensvreemd'...

E. Zelftoets

Bespreek onderstaand artikel (De Standaard, 18 januari 2006) tegen de achtergrond van het oudtestamentische boek Job.

F. Aanzetten tot verdere studie

  • H. Ausloos & B. Lemmelijn, De bijbel: een (g)oude(n) gids. Bijbelse antwoorden op menselijke vragen, Leuven - Voorburg: Acco, 2005; 2de ed. 2006, pp.167-176.
  • W.A.M. Beuken (red.), The book of Job (Bibliotheca Ephemeridum Theologicarum Lovaniensium, 114), Leuven, 1994.
  • L.Schwienhorst-Schönberger, Das Buch Ijob, in E. Zenger (ed.), Einleitung in das Alte Testament (Kohlhammer Studienbücher Theologie, 1/1), Stuttgart, 5de ed. 2004, pp.335-347.
  • E. van Wolde, Meneer en mevrouw Job. Job in gesprek met zijn vrouw, zijn vrienden en God, Baarn, 1991. W. Vogels, Job (Belichting van het bijbelboek), Boxtel - Leuven - Brugge, 1989.

Met dank aan Hans Ausloos die de basis legde voor dit dossier.

Deze pagina werd gepubliceerd op 01/02/2006

Reacties

Geen reacties gevonden

Reageer op deze pagina:

Mijn reactie:

Volg Thomas op

Download de Thomas-app