In iets geloven!?

node-header

Ietsisme

Beginsituatie

Als je vandaag de dag aan leerlingen vraagt of ze geloven, dan is het antwoord van de meesten niet volmondig ‘ja’. Een aantal leerlingen reageert wel nog affirmatief op deze vraag, een grote groep leerlingen gelooft echter niet. Nog andere leerlingen hebben hun eigen levensbeschouwing samengesteld met elementen uit verschillende tradities of hedendaagse spirituele verschijnselen of zeggen wel in ‘iets’ te geloven, zonder goed te weten wat dat iets is. De groep die beweert in ‘iets’ te geloven, of die zegt wel te geloven, maar niet in God, is niet te verwaarlozen.

Om deze groep te omschrijven, wordt dikwijls de term ‘ietsisme’ gebruikt. Ietsisme is de spirituele optie van mensen die zeggen dat er toch ‘iets meer’ moet zijn, zonder dat ze dat (kunnen of willen) benoemen. Deze term werd in de jaren negentig door moleculair bioloog Ronald Plasterk geïntroduceerd in een column, en wordt sindsdien dikwijls gebruikt in het gesprek rond geloof vandaag.

In deze In de kijker wordt enerzijds stilgestaan bij wat dit ietsisme precies is, wat de betekenis ervan kan zijn voor mensen vandaag, in welke mate het een actuele vorm van zinzoeken is, wat de relatie is tussen het ietsisme en het christendom,...   Anderzijds wordt aandacht gegeven aan de eigen geloofsovertuigingen en opvattingen over geloof van de leerlingen.

Hermeneutische knooppunten

  • Is het ietsisme een valide levensbeschouwing of eerder een gemakkelijkheidsoplossing voor mensen die niet te veel over geloofskwesties willen nadenken? Kunnen we verschillende soorten van ietsisme onderscheiden? Is er een verschil tussen een eerder actieve vorm en passieve vorm van ietsisme? Heeft het ietsisme vooral een negatieve connotatie (als ‘isme’), of kan men het ook positief duiden?
  • Is ietsisme een geloofsovertuiging die mensen aannemen of is het gewoon een etiket dat van buitenaf op mensen geplakt wordt. Kan men eigenlijk wel spreken over ietsisten in het algemeen? Is deze groep mensen niet té divers om ze over één kam te scheren?
  • Kan ietsisme omschreven worden als de ontkenning van het geloof of is het juist de affirmatie van het menselijke zoeken naar zingeving en geloof ondanks de teloorgang (of het verminderde belang) van traditionele vormen van geloof?
  • Als we spreken over ietsisme, wat is dan dat ‘iets’ waarover sprake is? Is het misschien juist de onbepaaldheid van dat ‘iets’ wat het ietsisme definieert? Is dit ‘iets’ toch nog geworteld in het christendom of staat het er los van?
afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureright/_medium/1(4).jpg
  • Is er al dan niet een verschil tussen ietsisme en agnosticisme? Waarin zit dit verschil? En is het ietsisme het tegendeel van nihilisme (letterlijk ‘nietsisme’)?
  • In welke zin is het ietsisme voor mensen vandaag een bron van leven? Hoe halen mensen hier kracht uit?
  • Kan men tegelijk christen en ietsist zijn of zijn beide eigenlijk onverzoenbaar met elkaar? Kan God ook ietsistisch gedacht worden? Zit in het ietsisme een uitdaging voor het christendom? Zo ja, welke?
  • Kan het ietsisme een georganiseerde vorm van religie zijn? Is er nood aan een kerk of samenkomstplaats voor ietsisten of is het niet-georganiseerde net wezenlijk voor het ietsisme?
  • Kan het ietsisme ook gezien worden als een houding van wankelmoed, waarbij mensen durven twijfelen en waarbij ze durven toegeven dat ze het allemaal niet zeker weten. Is wankelmoed een houding die ook bij overtuigde gelovigen belangrijk of zelfs essentieel kan zijn?

Aanknopingspunten bij het leerplan

Ontdekken welke dimensies bepalend zijn voor de identiteitsvorming

Leerplan SO < ASO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < jezelf worden

Bij zichzelf en anderen ontdekken in hoeverre het levensbeschouwelijke bij de identiteitsvorming een rol kan spelen

Leerplan SO < ASO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < jezelf worden

Opsporen en bespreken waar mensen vandaag zoal leven, visie en kracht uit putten

Leerplan SO < ASO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < bronnen van leven

Omschrijven en bespreken welke vormen van religiositeit en godsdienstbeleving jongeren aanspreken

Leerplan SO < ASO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < bronnen van leven

Aangeven hoe bijbel en traditie inspirerend werken voor de ontplooiing van gelovigen en geloofsgemeenschappen

Leerplan SO < ASO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < bronnen van leven

Onderzoeken in hoeverre godsbeelden levengevend of vernietigend kunnen zijn

Leerplan SO < ASO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < bronnen van leven

De vraagstelling bespreken die groeit in en uit grenservaring

Leerplan SO < ASO < Derde graad < Eerste jaar < Terrein < Omgaan met grenzen

Door bespreking op het spoor komen van de eigenheid van verschillende levensstijlen

Leerplan SO < ASO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Leven als Christen

Het belang van communicatie over zin(vragen) omschrijven

Leerplan SO < ASO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Communicatie van zin(vragen)

De ruimte en het ontbreken van ruimte voor communicatie rond levensvragen en zin in het eigen leven en de samenleving bespreken

Leerplan SO < ASO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Communicatie van zin(vragen)

De problematiek van levensbeschouwing en zinstichting verduidelijken vanuit historisch perspectief

Leerplan SO < ASO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Communicatie van zin(vragen)

Bespreken hoe mens-, wereld- en godsbeelden bevrijdend of verlammend kunnen werken

Leerplan SO < ASO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Communicatie van zin(vragen)

De band aangeven tussen communicatie, zinvinding en gemeenschapservaring

Leerplan SO < ASO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Communicatie van zin(vragen)

Het belang van geloven binnen de zelfwording ontdekken

Leerplan SO < BSO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < Waar sta je nu in je leven (identiteit)

Iets van de eigen -levensbeschouwelijke- zoektocht verwoorden tegenover anderen

Leerplan SO < BSO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < Wat geeft je leven (bronnen van leven)

Onderzoeken waarom mensen kiezen voor christendom

Leerplan SO < BSO < Tweede graad < Tweede jaar < Terrein < Wat valt er te kiezen in het leven (keuzes)

Illustreren hoe geloven, innerlijke honger en rijkdom, belangen, bekommernissen, interesses... personen bijeenbrengen of verdelen in hun verscheidenheid

Leerplan SO < BSO < Tweede graad < Tweede jaar < Terrein < Hoe leef je met verschillen? (ontmoetingen)

Verschillende concrete vormen van zinzoeken aanwijzen en kritisch beoordelen

Leerplan SO < BSO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Wat boeit mij in het samenleven? (Kijk op leven, vraag naar zin)

Accenten van hedendaagse geloofsbeleving aangeven

Leerplan SO < BSO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Wat boeit mij in het samenleven? (Kijk op leven, vraag naar zin)

De eigen levensstijl op verschillende levensdomeinen verwoorden om te ontdekken welke identiteit erachter schuilgaat

Leerplan SO < TSO/KSO < Tweede graad < Eerste jaar < Terrein < Identiteit (persoon of groep)

Aangeven hoe gelovigen God als de gans Andere benaderen

Leerplan SO < TSO/KSO < Tweede graad < Tweede jaar < Terrein < omgaan met verschil

In levensgetuigenissen alleen-zijn en verbondenheid als grondervaringen aanduiden en bespreken

Leerplan SO < TSO/KSO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Grondervaring en geloof

In levensgetuigenissen de bestaanservaring als (nood)lot, geschiedenis, heilsgeschiedenis aanduiden en bespreken

Leerplan SO < TSO/KSO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Grondervaring en geloof

In levensgetuigenissen de diepte-ervaring van Aanwezigheid of Afwezigheid aanduiden en bespreken

Leerplan SO < TSO/KSO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Grondervaring en geloof

Concrete uitdrukkingen van christelijk geloven bespreken als een inspirerend omgaan met grondvragen van mens en cultuur

Leerplan SO < TSO/KSO < Derde graad < Tweede jaar < Terrein < Grondervaring en geloof

Interlevensbeschouwelijke competenties

De leerling verplaatst zich in het levensbeschouwelijk perspectief van anderen.

Interlevensbeschouwelijke competenties < Ik, mijn levensbeschouwing en deze van de ander < Vaardigheden en attitudes

Achtergrondinformatie

1. Fragmenten uit “Ik geloof dat er ‘iets meer’ is. Theologische kritiek van het ietsisme” van Lieven Boeve

Welke uitdaging stelt het ietsisme aan het actuele christelijke geloof en de theologische reflectie hierop?

Wellicht zijn noch een te vlugge omhelzing noch een botte afwijzing aangewezen wanneer men zich waagt aan een theologische reflectie over dit fenomeen. Het ietsisme is immers een niet te veronachtzamen karakteristiek van de actuele West-Europese religieuze situatie. Het is de uiting van een tendens in onze hedendaagse context die de manier waarop mensen – inclusief christenen – vandaag de dag kijken naar religie en religiositeit grondig heeft veranderd. Want het ietsisme houdt geen halt aan de deuren van de kerk, maar beïnvloedt ook rechtstreeks de wijze waarop christenen hun eigen geloof beleven en duiden. (…)

Detraditionalisering

Het is duidelijk dat het proces van detraditionalisering niet heeft geleid tot het verdwijnen van de religie in Europa, maar eerder tot een nieuwe invulling ervan. De onophoudelijke dechristianisering van Europa – zowel op het institutionele als op het persoonlijke niveau – heeft niet geleid tot een puur seculiere cultuur of maatschappij, maar eerder tot een nieuw soort vage religiositeit. Zoals gezegd hebben sommigen deze religiositeit aangeduid met de term ietsisme. Hiermee verwijzen ze veralgemenend naar het feit dat een vaag „er moet toch iets meer zijn‟ vaak het enige is wat mensen nog aannemen. Enkelen stellen dat deze religiositeit niet zozeer het onvolwassen restant is van de secularisatie, maar de nieuwe vorm waarin zich het religieuze bewustzijn van de mensheid vandaag de dag manifesteert. Deze religiositeit geldt dan als resultaat van de onttovering door de seculiere rationaliteit en haar utopieën, maar ook als antwoord op het harde nihilisme van de postseculiere maatschappij. De confrontatie met het toevallige en zinloze karakter van het bestaan, drijft de mens naar een nieuwe vorm van religiositeit, die speciale aandacht heeft voor persoonlijke ervaringen en verantwoordelijkheid en zich tegelijk afzet tegen de traditionele orthodoxe religies. Deze nieuwe religiositeit is de uitdrukking van een religieus verlangen dat, als antwoord op onze huidige context, de hoop uitdrukt dat er nog iets meer is dan wat de wetenschappelijke wereldbeelden ons voorhouden. De keerzijde van dit ietsisme is allicht de huidige overdadige religieuze verbeelding die aanleiding geeft tot nieuwe religieuze bewegingen die hun inspiratie halen uit de oosterse religies, maar ook tot de herontdekking van oude Keltische religies en allerlei vormen van syncretisme.

Het verlaten of zelfs deconstrueren van de specifiek christelijke geloofsinhouden, rituelen en praktijken is niet alleen zichtbaar bij diegenen die het christendom verlaten hebben, maar manifesteert zich ondertussen ook binnen de christelijke kerken zelf. (…) Recente onderzoeken tonen aan dat de transformatie van het geloof in God vandaag gekenmerkt wordt door vier karakteristieken:

(a) Vooreerst lijken mensen niet langer meer te geloven in een God die plots kan tussenkomen en die alles overheerst en controleert. Hiërarchische, monarchale en patriarchale godsvoorstellingen, maar ook de goddelijke almachtigheid, de goddelijke wil en voorbestemming blijken hinderpalen te zijn voor het geloof in God. Ze roepen immers al te vlug corresponderende geloofshoudingen van onderwerping, gehoorzaamheid en schuld op. Bovendien voeden ze een beeld dat God en mens in competitie tegenover elkaar staan.

(b) Van der Ven merkt tevens de opkomst van polycentrische denkbeelden en voorstellingen van Gods aanwezigheid en werking in de wereld op. God wordt niet langer voorgesteld als de ene bron van waaruit en waarnaartoe alles beweegt. Deze tendens gaat gepaard met een zeker polytheïsme. Onderzoek geeft aan dat overgave aan anonieme krachten en geesten, maar ook het geloof in de rol van zowel het toeval als het lot of het bestaan van een Plan en de voorzienigheid, niet ongewoon zijn. Ook de combinatie van de twee komt veelvuldig voor: het toeval wordt er als een plan van een hogere kracht gezien waartoe men toegang heeft door astrologie, horoscopen en andere spirituele activiteiten. (…)

(c) Als derde karakteristiek vermeldt Van der Ven de bevinding dat de meeste mensen God opvatten als niet-persoonlijk (wat niet hetzelfde is als het negatief geconnoteerde „onpersoonlijk‟): als het „goddelijke‟. De beelden van adem, kracht, geest, stuwkracht, prikkel en inspiratie wijzen ons op het feit dat God bij voorkeur gezien wordt als een niet-persoonlijke goddelijke kracht en energie.

(d) Ten slotte, in nauwe relatie tot de derde karakteristiek, is er de huiver voor een al te expliciet verbeelden van God. Velen hebben het moeilijk met het Bijbels-christelijke portret van een persoonlijke God die spreekt, weet, voelt, liefheeft, oordeelt en beloont. Wie zich eerder aangetrokken weet tot niet-persoonlijke godsbeelden, heeft daarentegen vaak een voorkeur voor wat Van der Ven de „an-iconiciteit‟ van God benoemt: het afzien van beelden en voorstellingen van God. (…)

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/2(1).jpg

Pluralisering

Naast detraditionalisering is, zoals vermeld, de pluralisering van de religie een aspect van de transformatie van de religie in Europa, en dit zowel vanuit een intra- als een interreligieus perspectief.(…) In het huidige culturele bewustzijn leeft een nog groeiende eensgezindheid dat boven, onder of achter de vele vormen en tradities van religiositeit en spiritualiteit uiteindelijk eenzelfde religieus verlangen en eenzelfde relatie tot het goddelijke (of hoe deze transcendente realiteit ook benoemd wordt) steekt. Religieuze veelheid is dan het gevolg van het feit dat dit ene religieuze verlangen, afhankelijk van tijd en plaats, cultuur en context, op verschillende manieren wordt uitgedrukt. Deze veronderstelling is terug te vinden in zowel christelijke als nietchristelijke middens. (…) Samen met de detraditionalisering lijkt dus ook de pluralisering in een negatieve theologie te resulteren die zich ontdoet van de metaforen, concepten en verhalen van de christelijke traditie. Deze apofatische tendens relativeert in het christelijke geloof precies dat wat hiervan een uniek, specifiek geloof maakt – en dus juist dat

wat het christelijk verhaal doet verschillen en soms zelfs botsen met andere religies. In de mate waarin de specificiteit van het christendom een obstakel vormt om te komen tot de onderliggende, originele religieuze ervaring van harmonie en eenheid, moet deze worden uitgewist. Wat van het christendom een particuliere godsdienst maakt, dient tussen haakjes geplaatst of minstens geneutraliseerd te worden als slechts één manier om naar het goddelijke te verwijzen.

Ietsisme in relatie tot het christendom

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureright/_medium/3(10).jpg

Vanuit het perspectief van een christelijke verstaanshorizon kan men stellen dat het ietsisme – als culturele negatieve theologie – in al zijn verscheidenheid afscheid neemt van de christelijke God die zich in de particuliere geschiedenis openbaart. (…) Mensen hebben het moeilijk met (a) de openbaring en (b) de wijze waarop openbaring concreet geschiedt. (a) Tijdgenoten hebben vooreerst inderdaad moeite met de andersheid van God, een God die vanuit zijn/haar verschil met de geschiedenis op de geschiedenis afkomt – een God die zich openbaart als de andere van de wereld en de geschiedenis. Ze ervaren een onvermogen om zich een transcendentie voor te stellen die écht ontsnapt, die echt voorafgaat aan het menselijke. Dit onvermogen wordt enkel versterkt wanneer deze transcendentie zich bovendien laat kennen als een persoonlijke God die mensen appelleert, verontrust, uitdaagt, oordeelt, enzovoort. Het betreft een onbehagen met zowel de structuur van het geloof als het komen tot geloof, begrepen als antwoord op een vooraf gegeven en uitdagend appèl. (b) Dit onbehagen betreft zoals gezegd niet alleen de christelijke God als Tegenover, maar ook de wijze waarop deze God concreet zichtbaar wordt in de particulariteit van de geschiedenis. (…) Mensen hebben moeite met de onherleidbare band tussen openbaring en particuliere geschiedenis, een geloofstraditie die concrete geschiedenis maakt en er onlosmakelijk mee verbonden blijft. Christenen belijden immers dat deze God zich laat kennen, op definitieve wijze, onherhaalbaar, uniek, in bijzondere gebeurtenissen op specifieke tijdstippen. Het culminatiepunt hiervan is de geloofsbelijdenis dat de concrete mens Jezus van Nazaret de Christus is en dat God zich in deze Jezus Christus op onvergelijkelijke wijze heeft geopenbaard. Onder het oogpunt van de geschiedenis gaat het hier echter om gebeurtenissen en ogenblikken die even contingent en particulier zijn als iedere andere historische aangelegenheid.

Omwille van het steeds verder wegebben van de overlap tussen de christelijke verstaanshorizon en de actuele cultuur wordt het afscheid van de te expliciet christelijke God van de geschiedenis manifester dan ooit. Het is moeilijk geworden om het ietsisme via één of andere theologische correlatiemethode als „in wezen nog christelijk‟ te recupereren. Er is niet langer een gemakkelijke link te maken tussen deze culturele vage religiositeit en het christelijke geloof. Eerder dan het poneren van continuïteit tussen beide, vraagt deze religieuze heropleving om een analyse die oog heeft voor wat onderscheidt. Drie zaken vallen dan op. (a) De god, of het goddelijke, die uit het culturele apofatisme naar voren komt, vertrekt niet vanuit het verschil tussen God en geschiedenis, maar is holistisch van aard. De onderliggende ervaring is er één van eenheid en harmonie. Het goddelijke is overal, in iedereen; geen enkele particuliere beeldvorming of uitdrukking kan het goddelijke bepalen of beperken. Het is niet gebonden aan of gedefinieerd vanuit verhalen en gebeurtenissen, maar altijd en overal. Deze religiositeit spreekt van een goddelijke oerkracht die zich nu net niet aan een specifieke plaats en tijd bindt. Vandaar dat dergelijke religiositeit vaak gepaard gaat met een circulaire tijdsopvatting en veel minder met een lineaire. (b) Ten tweede gaat deze religiositeit gepaard met een immanentisering van het goddelijke, vaak uitmondend in een soort pantheïsme, eventueel zelfs gekruid met neo-animistische trekken en zogenaamde paranormale verschijnselen. (c) Ten slotte: vanuit een epistemologisch oogpunt verbindt dit type religiositeit religieuze waarheid met het algemene, met het ene religieuze mysterie, de oerbron, met wat aan elke bepaling ontsnapt. Wat concreet en particulier is, kan eventueel vorm of expressie hiervan zijn, maar moet uiteindelijk achtergelaten worden wanneer men tot de diepste kern, tot de waarheid wil doordringen. Wie God resoluut vanuit de narrativiteit en particulariteit van de christelijke traditie denkt, botst, doorheen de confrontatie met dergelijk denken over het goddelijke en de religie, met het specifieke profiel van het christelijke godsgeloof.

Opportuniteiten en ambiguïteiten

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureleft/_medium/4(4).jpg

Eerst sommen we de opportuniteiten op. (a) Er gaat van deze culturele apofatische tendens onmiskenbaar een godsdienstkritiek uit, die zich keert tegen een te transcendente God, tegen een God en godsdienst die mensen klein houdt en van zichzelf doet vervreemden. (b) Bovendien ventileert deze trend een kritiek op de moderniteit; ze geeft uiting aan het bewustzijn dat er grenzen zijn aan het menselijke kennen en kunnen. Een louter op rationaliteit en seculariteit gebouwde horizon van betekenisstichting miskent blijkbaar de diepere lagen van het menselijke leven en samenleven. (c) Ten slotte spreekt uit deze religiositeit de wil tot verzoening tussen de godsdiensten, het streven naar een vredevolle samenleving tussen de mensen van diverse levensovertuigingen en religies – het verlangen naar eenheid, verzoening, harmonie en voltooiing.

Zowel vanuit cultureel als vanuit theologisch opzicht zijn er naast opportuniteiten ook ambiguïteiten aan te duiden. (a) Ten eerste doet de natuur van God en het goddelijke zoals deze zich manifesteert in het culturele apofatisme, de vraag rijzen of we hier niet te maken hebben met een god van het zelf, een vergoddelijkt zelf (zelfvergoddelijking via „decentrering‟). (…) ? (b) Ten tweede is er de link tussen deze religieuze heropleving en wat klassiek als bijgeloof en projectie werd gezien: magie, paranormale fenomenen en krachten, enzovoort. Dit doet de vraag rijzen of er nog criteria aangeduid kunnen worden voor „ware‟ en „valse‟ godsdienst, andere criteria dan de mate waarin godsdienst de mens verzoent met de contingentie van zijn of haar bestaan, de grenzen waartegen hij of zij aanbotst… (c) Ten derde, hierop verder doorgaand, als we spreken over verzoening, voltooiing, vervulling, harmonie, etc.: verzoening voor wie? En hoe? Leidt dit soort religiositeit niet weg van de concrete geschiedenis, creëert het geen ruimte van onbetrokkenheid om het in de geschiedenis te kunnen uithouden? Dit lijkt al te gemakkelijk te midden van zoveel onverzoendheid, conflict, lijden, onrecht en dood. (…) (d) Een laatste cluster van vragen: functioneert godsdienst eigenlijk wel als geluksleverancier? Kan godsdienst wel zo functioneren? Slaagt dergelijke religie erin mensen echt te helpen wanneer ze botsen op of overvallen worden door de contingentie van het bestaan? En in de mate dat deze cultureel gemotiveerde negatieve theologie zich ook intern-christelijk ontwikkelt, rijst de vraag of dit de wijze is waarop de christelijke godsdienst werkt. Meer specifiek vraagt de theoloog zich af of dergelijke vage holistische godsdienst, zonder al te veel narrativiteit en particulariteit, een alternatief biedt voor het christelijke geloof, dan wel voor gelovigen vandaag eerder de voltooiing ervan is, de nieuwe gestalte van het christendom is: is het ietsisme de toekomst van het christendom? (…)

Het volledige artikel is te vinden via deze link en in
L. Boeve, God onderbreekt de geschiedenis. Theologie in tijden van ommekeer, Kapellen, 2006

2. Cijfermateriaal

Wegens ontbreken van Belgisch cijfermateriaal worden hier Nederlandse onderzoeksgegevens weergegeven.

Cijfers uit onderzoek (tussen 2003 en 2006) bij Nederlandse PABO*-studenten

*PABO: het opleidingsinstituut voor onderwijzend personeel in het basisonderwijs in Nederland

Het tweede aspect van de levensbeschouwelijke patronen betreft het godsbeeld. Hierbij stelden we allereerst een vraag betreffende hun basale visie op immanentie  en transcendentie. We vroegen hun instemming met vijf stellingen (de vermelde waarde is het percentage respondenten dat het eens of helemaal eens is met de  stelling [en anderzijds het percentage dat het niet eens of helemaal niet eens is]). 

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/cijferkes(1).png

Wat opvalt, is dat alleen de eerste stelling op een kleine meerderheid kan rekenen. De laatste drie stellingen worden door de meerderheid afgewezen en bij het  geloof in een soort hogere macht wordt vooral neutraal gescoord. Dat betekent dat zowel het totaal immanentisme wordt afgewezen als het ingevuld transcendentisme. Zelfs de notie van een goddelijke kern roept in meerderheid afwijzing op. De enige stelling die op instemming kan rekenen betreft het geloof

in ‘iets buiten deze wereld’. Uit het totale patroon blijkt echter dat de respondenten dit ‘iets’ niet nader willen kwalificeren, althans niet in de door ons aangeboden termen. Men kan dit lezen als een empirische bevestiging van het door theologen als Dingemans (2005) waargenomen ‘Ietsisme’. Interessant is echter dat diverse respondenten bij deze vraag schijnbaar inconsistente antwoorden geven. Zo antwoorden tientallen respondenten positief op zowel vraag 1 als 2 (‘ik geloof alleen in dingen die ik kan zien’ en ‘ik geloof in iets buiten deze wereld’), op zowel vraag 1 als 3 (‘ik geloof alleen in dingen die ik kan zien’ en ‘ik geloof in een soort hogere macht die het leven beheerst’), of wel in een hogere macht gelooft (vraag 3) maar niet buiten deze wereld (vraag 2). Van de respondenten gelooft 13,5 % zowel in een God die zich met ieder mens persoonlijk bezig houdt als in een goddelijke kern in ieder mens en in de natuur om ons heen; 10,5 % echter ziet een tegenstelling tussen deze twee visies: zij verwerpen de ene en onderschrijven de andere stelling. Daarmee is de idiosyncratische en niet noodzakelijk theologische consistente aard van de levensbeschouwelijke structuur bij de respondenten zichtbaar, maar ook de eenduidige grote lijn waarin transcendent godsgeloof wordt afgewezen. Op dit punt zien we ook een sterke correlatie met betrokkenheid bij de geloofsgemeenschap: wie wel betrokken is, zal eerder een uitspraak over godsgeloof onderschrijven. Alleen de uitspraak dat er ‘iets is buiten deze wereld’ correleert niet met kerkelijke betrokkenheid; die visie wordt kennelijk gedeeld door mensen binnen en buiten de geloofsgemeenschap.

Bron

Geloof in God neemt af, geloof in iets neemt toe

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureright/_medium/5(7).jpg

Ter ere van haar 75-jarig jubileum [in 2013] herhaalde weekblad Margriet de geloofs-enquête die ze eerder hield in 1969 en 2009. Opvallendste uitslag: ondanks dat steeds minder vrouwen aangeven gelovig te zijn, gelooft een steeds groter percentage in iets na de dood.

In 1969 geloofde 4% niet in God en 13% twijfelde. Nu is dat percentage respectievelijk 22% en 30%. In 1969 gaf 56% aan te geloven in iets na de dood, in 2013 is dat 60%. Theologe Jacobine Geel duidt de uitkomsten van de enquête. "Geloof in Nederland is een soort afsmeltende gletsjer: als deze tendens doorzet, houdt het geloof in traditionele zin een keer op. Maar geloof an sich blijft bestaan. Mensen willen toch zin geven aan het leven, dat is een menselijke behoefte." (…)

Het onderzoek is in opdracht van Margriet uitgevoerd door het onderzoeksbureau Motivaction International onder 500 vrouwen in de leeftijd 25 tot 75 jaar uit het StemPunt-panel van Motivaction. De onderzoeksresultaten geven een representatief beeld van de Nederlandse vrouw van 25 jaar en ouder.

Bron

Impulsen

1. Wat geloof jij eigenlijk?

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/6(5).jpg

Wat leerlingen uit 4ASO en 4BSO zeggen over geloof

Ik geloof niet in God of een andere godheid. Ik geloof wel dat er iets is, maar ik weet niet wat het precies is. Dat ‘iets’ kan niet afgebeeld worden als persoon of voorwerp, je kan het ook niet zien of horen, maar je kan het wel voelen. Het is een deeltje van onszelf.
Ik geloof een beetje in God, maar niet zoveel eigenlijk. Gewoon dat er iets is na de dood en ik geloof ook in geesten want ik denk dat je ze kunt oproepen en ik geloof ook in karma. Ik denk dat als je iets fout doet, dat je het terug krijgt.

We zullen zien, veel slechter kon het niet. Dit is tenminste iemand met sociaal engagement als is het dan op de ouderwetste manier...het is al iets...

Ik geloof wel dat er iets is daarboven maar ik weet het niet zeker en ik weet ook niet wat.
Ik ben christen. Dat heeft weinig betekenis voor mij. Ik ben het omdat het zo aan mij is gegeven. Het is nu eenmaal de wereld dat mensen een geloof moeten hebben. Ik ben nu toevallig in de groep christen terecht gekomen. Ik denk niet veel na over het geloof. Geloof is voor mij een gewoonte die mensen doen omdat anderen het doen. Ze willen niet abnormaal zijn. Er zijn mensen die echt opkomen voor hun geloof en alle tradities naleven. Ik denk dat ze dit doen om zichzelf te leren kennen.
Ik geloof in niet veel want ik ben niet gelovig opgevoed en heb daar ook niet echt interesse voor maar ik geloof wel dat er iets is, maar zeker niet alles.
Ik geloof niet echt in iets omdat ik dit nooit nodig heb gehad. Er zijn mensen die bidden en geloven om steun en om te kunnen verklaren waarom wij ‘zijn’. Maar ik heb nooit de nood gehad of het gevoel gehad om te bidden of te geloven in iets. Daarnaast heb ik altijd veel interesse gehad richting de wetenschap. De wetenschap lijkt me logisch en voldoet het gevoel wanneer ik denk waarom we bestaan of hoe we zijn ontstaan. Maar ik geloof niet echt in iets meer.
Ik geloof wel dat er iets is en dat er leven na de dood is want als ik het moeilijk heb dan wil ik tot iemand kunnen praten en als ik iemand mis die er niet meer is, geloof ik dat die persoon me wel hoort of er voor me is.
Ik ben christen. Ik geloof dat er een God is die alles heeft gemaakt. En ik geloof ook dat er iets goed en slecht is en dat het goede er is om ons beter te maken.
Ik geloof in karma en in yin en yang. En ik geloof ook in God. Ik bid niet vaak en ik ga niet naar de kerk maar ik weet dat daar iets is, alleen weet ik niet wat, maar ik geloof er wel in.
Ik denk wel dat er een soort van bovennatuurlijke kracht is, ondanks dat ik heel hard achter de wetenschap sta voor het verklaren van dingen. Maar ik geloof het wel over het denken, dat is vaak niet echt te verklaren. Die bovennatuurlijke kracht of wat het ook anders zou kunnen zijn, is niet een persoon. Ik zie het als iets dat wel aanwezig is, maar je kan het niet zien. Het is iets waarop je altijd kan rekenen. Misschien zit het wel in jezelf! Het innerlijke ik voldoet best wel aan de omschrijving, denk ik.
Ik geloof een beetje want mijn opa en oma zijn heel gelovig. Ze gaan elke week naar de mis, dus ik heb het daar een beetje van, dus daardoor denk ik dat ik geloof.
Ik geloof wel in God en Jezus. Want hoe zouden we anders hier zijn? Er moet iemand zijn die ons op de wereld heeft gezet. Maar ik geloof wel dat er ook iets is na de dood. We komen allemaal terug als iets anders, maar ik weet niet als wat.
Ik ben islamitisch en ik geloof. Er is geen reden, ik ben geboren in een islamitische familie en ik ben blij met mijn geloof.
Ik ben gelovig omdat ik weet dat mensen niet zomaar gaan bidden als er niets is. Je weet dat als mensen vanalles doen voor hun godsdienst dat er dan echt iets is.
Ik wil wel geloven maar dat gaat niet altijd even makkelijk. Het liefst zou ik willen geloven in de wetenschap en zou ik willen dat we duizend jaar verder stonden qua wetenschap (ruimtereizen en tijdreizen).
Ik geloof wel dat er iets bovenaards is dat bepaalt hoe en wat. Misschien wel meerdere goden… een god voor de donder, een god voor de bliksem, een god voor de bomen, een god voor de bloemen… etc… Ik kan dat geloof niet echt benoemen maar het kan niet zijn dat alles wetenschappelijk verklaarbaar is, en je ziel moet toch ergens naartoe. Of stopt je bestaan voorgoed als je sterft? Ik denk eerder dat je ziel wel ergens naar een bovennatuurlijke plek gaat. Het is misschien ook wel een soort van eigen geloof. Ik denk dat iedereen een ander eigen geloof heeft. Niemand denkt en gelooft exact hetzelfde. We doen dingen om een reden en volgens mij worden die dingen bepaald door een god of meerdere goden.
Ik ben niet gelovig omdat ik het niet belangrijk vind. Ik vind niet dat je moet geloven maar ik vind het wel mooi als mensen geloven.
Ik geloof nergens in omdat ik gewoon niet geloof dat er iets is waar je in kan geloven. Maar ik ben wel christen, dat is gewoon omdat heel de familie dat is.
Ik geloof niet in een bovennatuurlijk kracht, maar ik geloof wel in de mensen en de wetenschap. Ik denk dat mensen alles klaar kunnen spelen als ze het maar willen en als ze het maar geloven. Daarom geloof ik meer in het geloven zelf dan in welk ander geloof ook.
Ik geloof niet in God en iets bovennatuurlijks zolang de wetenschap dat niet kan aantonen.
Ik geloof niet in een religie omdat ik na het horen van de geschiedenis van de religies tot besluit ben gekomen dat veel mensen geloven in iets wat mensen super lang geleden hebben uitgevonden en dat er daarvan in de geschiedenis zwaar is geprofiteerd. Als je er effe over nadenkt is de religie uitgevonden door de mens, dus hoe kan God de aarde hebben gemaakt als de mens het begrip ‘God’ en ‘religie’ nog niet had uitgevonden.
Ik geloof in God omdat mijn ouders mij hebben laten dopen maar eigenlijk denk ik daar niet over na.
afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/7(1).jpg

Citaten

“Ik geloof in de God die de mensen heeft gemaakt, niet in de God die de mensen hebben gemaakt.”

A.Karr

"Hoe kan je zo zeker zijn dat God niet bestaat?" Atheïst: "Je moet toch in iets geloven.”

W. van Broeckhoven

“Geloven is zeker weten dat je twijfelt.”

Freek de Jonge

“Geloven, is plannen maken voor na de dood.”

Jonckheere

“Voor de zekerheid geloof ik alles.”

Peter De Groot

“Alles geloven is te veel, niets geloven is te weinig.”

Duitsland

“Ik denk dat we maar insecten zijn, we leven een beetje en sterven dan en dat is het zo wel wat. Er is geen genade in de dingen. Er is niet eens een Groot Daarna. Er is niets.”

John Fowles

“Om vast te kunnen geloven, moet men eerst getwijfeld hebben.”

Stanislaus

"Uit, uit, stompje kaars!/ Het leven is niets dan een wandelende schaduw,/ een armzalige speler die op het toneel/ zijn uurtje puft en kwaakt/ en dan hoor je hem niet meer. Het is een sprookje/ verteld door een idioot/ vol gebral en geraas dat niets betekent."

William Shakespeare

“Sinds de mensen niet meer geloven in God, geloven ze in alles.” 

Chesterton

“Twijfel is niet het tegendeel van geloof, maar een bestanddeel ervan.

P.Tillich

“Ik geloof in God zoals een blinde gelooft in de zon. Niet omdat hij ze ziet, maar omdat hij ze voelt.”

Phil Bosmans

Wat geloof jij eigenlijk?

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/8.png

Uit Religie in beeld van Margreet De Heer

2. De term 'ietsisme'

Term voor het geloof dat er ‘iets’ is tussen hemel en aarde, die midden jaren negentig van de vorige eeuw in zwang kwam om het toenemend aantal mensen mee aan te duiden die geen bepaald geloof aanhangen en ook niet meer naar de kerk gaan. Een ietsist heeft echter wel behoefte aan zingeving en gelooft [vaak] dat aan al het bestaande (de schepping) een onbenoembare kracht ten grondslag ligt. Ook gelooft een ietsist meestal dat de ziel ‘ergens’ voortbestaat na de dood.

Bron

Ietsisme

is het iets?
het is iets want
als het niets was
stond er niets
er staat iets dus
is het ook iets!

misschien vind jij
het helemaal niets
dat kan …
toch is het iets
sterker nog …
blijft het iets!

Bron

3. Visies op het ietsisme

Tot de kosmos kun je niet bidden.

Wat vindt u van het ietsisme – de spirituele optie van mensen die zeggen dat er toch ‘iets meer’ moet zijn, zonder dat ze dat benoemen of kiezen voor een echte religie?

BOEVE: Dat ietsisme is een betrekkelijk nieuw fenomeen. En de term is oorspronkelijk bedacht als een soort scheldwoord. Maar ook dáárover ben ik niet negatief. Ik neem het ietsisme serieus. Het wijst erop dat veel mensen nu eenmaal het gevoel hebben dat er iets meer is dan wat we kunnen verklaren en dat de klassieke kaders niet meer in staat zijn om hen toegang te schenken tot het onbenoembare. Dat is de moeite waard om ernstig te nemen, om grondig te analyseren. Zijn ietsisten niet vooral mensen die geen moeite willen doen om grondig na te denken over zingeving en levensbeschouwing? Maken zij zich er niet gemakkelijk af, als het ware?

BOEVE: Nee, dat is niet noodzakelijk zo. Sommige ietsisten noemen zichzelf overigens ook nog altijd christen, zonder dat ze tot het instituut kerk willen behoren. Nu, ik respecteer iedereen die zich christen wil noemen. Maar vanuit theologisch perspectief is er wel een verschil tussen de christelijke God en de hogere macht of kracht waar vele ietsisten het over hebben. Dat is misschien wat de kerk opnieuw duidelijk moet maken, als ze een aanbod wil doen aan de zoekende mens.

Is het precies die God die in de weg zit? Mensen willen best religieus zijn, of spiritueel, maar zonder het instituut, en zónder God.

BOEVE: Dat is best mogelijk. Die God is dan ook bijzonder veeleisend, maar precies daarom ook de moeite waard.

Hoe bedoelt u?

BOEVE: Volgens het christelijke godsgeloof is het mysterie van de werkelijkheid de liefde. Dat is natuurlijk niet niks: alles wat wij doen of proberen te doen op aarde moet worden afgemeten aan de maatstaf van de liefde. Dat is een enorme claim. Christus ging in die liefde zelfs tot het uiterste, tot aan het kruis. Ik weet wel dat veel mensen vandaag zeggen dat de kosmos liefde is. Maar voor het christelijke geloof is God niet hetzelfde als de kosmos, maar is er een verschil dat het net mogelijk maakt dat mens en wereld in relatie staan tot God. Als er, bijvoorbeeld, iets vreselijks gebeurt, kun je dus vloeken op God – vloeken is dan een vorm van bidden. Maar vloeken op de kosmos heeft geen zin. Tot de kosmos kun je niet bidden.

Interview met Lieven Boeve in Knack Extra, 5 oktober 2011

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/10.jpg

Een misverstand

De ietsist: Rome wil hem bekeren, Leuven wil hem bestuderen. Hij wordt zo langzamerhand serieus genomen. Té serieus? Wellicht. De ietsist is immers niet zozeer sacraal bevlogen. Hij is gewoon in de greep van een groot en kennelijk onuitroeibaar misverstand. Een misverstand over de aard en de ambitie van 'de wetenschap': wetenschappers zouden niet openstaan voor 'het mysterie', voor datgene wat wij niet kunnen verklaren. En het tegendeel is waar. Een wetenschapper staat per definitie open voor het mysterie. De wetenschappelijke methode is net uitgevonden omdát we ons in het mysterie bevinden.

Iets? Dat is zwak uitgedrukt. Zet dat maar in het meervoud. Er is immers nog duizelingwekkend véél tussen hemel en aarde wat wij niet kunnen verklaren. Van het kleinste deeltje tot de verste supernova: aan mysterieuze 'ietsen' geen gebrek. De enkelvoudige ietsist weet soms niet wat hij mist. (Joël De Ceulaer)

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/11.jpg

Ietsisme slaat nergens op

Tegenwoordig is het ietsisme vrij populair. Het houdt simpelweg in dat je gelooft dat er wel iets is, maar je weet simpelweg niet wat. Onlangs heb ik gesproken met 3 mensen die overtuigd ietsist waren. Wat? Inderdaad. Iets heeft hun overtuigd dat er iets is. Wat dat iets is wat hun heeft overtuigd dat er iets is weten zij ook niet. Maar ach, het is in ieder geval iets.

Het ietsisme is in ieder geval een erg vreemd verschijnsel. De meesten van hun hebben een gelovige opvoeding gehad, en weten dat het leven hier op aarde niet alles is wat er is. Nou ja, echt weten? Ze hebben het idee dat het zo is. Als je vraagt waar dat idee vandaan komt blijkt het vooral op een gevoel te berusten. Ze willen vaak niet dat het leven hier op aarde alles is wat er is. Dat voelt niet goed. Ze willen hier niet nutteloos zijn, zonder doel of iets. Ze willen hier zijn met een reden. In ieder geval vanwege iets, wat dat dan ook mogen zijn. Maar alleen al het idee van “iets” is geruststellend genoeg.

Helaas moet ik tot de conclusie komen dat het ietsisme werkelijk waar nergens op slaat. Ze proberen een objectieve blik naar de wereld en naar het leven te trekken. Ze zien de religieuze wereld als een soort supermarkt. In elk vak een ander geloof met hun eigen producten en je kijkt maar welke je aantrekkelijk genoeg vindt om in je karretje te leggen. Zij hebben het idee dat zij diegenen zijn die zich onthouden van dit hele supermarkt gedoe. Maar in werkelijkheid hebben ze het compleet mis. Zij zijn juist diegenen die op dit moment een compleet vak vullen.

Bron

Een stinkende schotel

“Mensen die zeggen dat er wel ’iets’ moet zijn boven of achter de werkelijkheid hebben over het algemeen geen grote filosofische belangstelling. (…) Ietsisme is een stinkende schotel waarin louter brokken door elkaar drijven.”

(Gijs Dingemans)

Ik wil niet alles. En ik wil niet niets.

‘Er is iets wat we niet begrijpen.’ Dat is de essentie van het religieus besef van Marjoleine de Vos, die verder betoogt dat de pogingen om dat iets te verduidelijken allerminst duidelijkheid hebben geschapen: ‘Zoals bijvoorbeeld [het beeld] van de drie-enige god: vader, zoon en heilige geest, ondeelbaar en toch in drieën. Een fantastisch en volkomen onmogelijk bedenksel dat geheel terecht als een mysterie van het geloof wordt aangeduid, want een mysterie is het. Zoiets is mooi als bedenksel, als beeld voor iets onbegrijpelijks.’

Zulke bedenksels hebben voor haar wel degelijk bestaansrecht: ‘Een religie moet voorzien in beelden, in woorden, in voorstellingen en vermoedens waar ruimte in zit, die niet kunnen maar toch betekenisvol zijn, die troosten al weet je dat ze in sommige opzichten onzin zijn, zoals Ger Groot schreef over de uitvaartdienst van een vriend waar tot slot “In paradisum” gezongen werd, en hoe hem die voorstelling even optilde en troostte al gelooft hij niet in engelen die iemand begeleiden naar wat voor hiernamaals dan ook.’

In sommige opzichten onzin en toch troostend? Jazeker, zegt De Vos, ‘juist die cognitieve dissonantie, waar de anti-gelovigen zich voortdurend woedend tegen richten, is de aardigheid, de betekenis, de zin van gelovige voorstellingen.’

Ook zonder enige woede kun je hier bezwaar tegen maken: de kerk heeft niet bijster veel aan gelovigen die de boel eigenlijk maar onzin vinden. Dat beseft ook De Vos, ‘maar’ zegt ze, ‘[deze onmogelijke positie] is er toch, precies om wat Ger Groot schreef: dat we niet in een wetenschappelijk universum leven waarin alles kan worden teruggebracht tot impulsen en reacties, maar in een wereld waarin we gevoelens, verlangens, vragen hebben. En waarin beelden en mogelijke antwoorden iets kunnen betekenen, een glimp van iets dat misschien niet eens bestaat.’ Haar standpunt vat ze zelf kernachtig samen: ‘Ik wil niet alles. En ik wil niet niets.’

Uit Tirade jg. 47, 2003

Ietsisten vullen de gaten op met ‘iets’

(…) Geef dan uw laffe houding eens op en wees niet bevreesd een atheïst te worden genoemd wanneer u geen redenen ziet om in God te geloven. U bént dan gewoon een atheïst. Voor agnosticisme zie ik geen emplooi, hoe fatsoenlijk deze houding ook in allerlei columns en ingezonden brieven wordt genoemd: je ziet redenen om in God te geloven of je ziet ze niet. Wat moet het in 's hemelsnaam betekenen dat u het ‘niet weet’? U weet dus niet of u wel of niet redenen ziet? Of denkt u dat u de redenen die u nú niet ziet misschien op een later tijdstip gaat bespeuren? In dat geval bent u geen principiële agnost, dan bent u iemand die niet de tijd heeft genomen om erover na te denken. Ik vrees intussen dat hele volksstammen die zich zonder nadenken agnost noemen en trots zijn op dat ‘ruimdenkende’ standpunt, zichzelf wel degelijk als principiële agnosten beschouwen. Een beetje dom.

Maar we hadden het eigenlijk over het (theoretische) ietsisme: niet ‘kweenie’, maar ‘je weet maar nooit; als het God niet is, dan misschien wel iets anders’. In de praktijk zijn deze twee nauwelijks te onderscheiden, al mogen wij de ietsist wel vragen wat hij zich voorstelt bij dat ‘iets’. - ‘Niets’?! Dat is mooi, een iets waarbij je je niets voorstelt. Dat mag een hoogwaardig idee worden genoemd.

Maar ach, laat ik onze ietsist niet zo op zijn nek zitten. Vermoedelijk bedoelt hij dat wij mensen lang niet alles weten. Daarin heeft hij gelijk. We weten nog niet alles, en zover komen we misschien wel nooit. Wat was er vóór de oerknal? We kunnen alleen maar denken in ruimte en tijd, en tijd vóór de tijd, géén tijd dus eigenlijk, dat gaat er bij ons niet in. Evenmin als niet-ruimte, voorbij de ruimte die het heelal beslaat. Vroegere wijsgeren hebben het gat van onze onwetendheid opgevuld met God - alsof dat iets oplost: je voegt dan alleen een schakel toe die al even onbegrijpelijk is als de oerknal zelf. Ietsisten vullen de gaten op met ‘iets’. Een zinnige oplossing lijkt me dat niet. Maar ze moeten het zelf maar weten.

Carola Kloos in Tirade jg. 47, 2003

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/12.jpg

Veralgemeningen

Gijs Dingemans heeft er een heel boek aan gewijd: Ietsisme, Een basis voor christelijke spiritualiteit. Daarin tracht hij te beschrijven waar het eigenlijk om gaat in het ietsisme. Je staat versteld van wat hij schrijft:

Mensen die zeggen dat er wel ‘iets’ moet zijn boven of achter onze werkelijkheid, hebben over het algemeen geen grote filosofische belangstelling – ze willen weten of er ‘ergens’ een instantie is die onze wereld in de gaten houdt. Die ervoor zorgt dat de boel weer op zijn pootjes terechtkomt, als wij mensen een zooitje van maken. Is er iets of iemand die de regie voert? Of op zijn minste invloed uitoefent op onze chaotische wereld? Is God opgewassen tegen het onheil in de natuur en tegen het morele kwaad? Of zijn we aan het toeval overgeleverd zoals de evolutionisten zeggen? Of – wat misschien nog erger is – aan menselijke hebzucht en stomheid? Dat lijkt mij de diepe achtergrond naar de vraag naar het ietsisme.

Welnu: ik heb Gijs Dingemans doorgaans heel hoog, maar hier ben ik grondig, maar dan ook heel erg grondig, met hem oneens. Hij kijkt naar het fenomeen ietsisme als praktisch theoloog die gewend is geloofsgemeenschappen te bestuderen. Maar het ietsisme is alles behalve een ‘geloofsgemeenschap’.  Je kunt trouwens onmogelijk spreken van dé ietsisten die ‘over het algemeen’ dit of dat zouden zijn, zouden denken. Dat is een contradictio in terminis omdat het ‘iets’ zo persoonlijk vermoed wordt dat het voor iedereen ‘iets anders’ kan zijn. 

“Mensen die zeggen dat er ‘iets’ is, hebben over het algemeen geen grote filosofische belangstelling”, schrijft Dingemans. Wat een arrogantie! Is het niet eerder zo dat ietsisten mensen zijn die, wars van dogma’s, de bron van de onbevangen filosofische en theologische nieuwsgierigheid hebben teruggevonden, namelijk de verwondering voor het onkenbare, voor het ongeziene, voor het Mysterie.

Verder betwijfel ik zeer of mensen die zeggen dat er wel ‘ iets’ moet zijn boven of achter onze werkelijkheid, willen weten of er ‘ergens’ een instantie is die onze wereld in de gaten houdt. Dit is een theologische formulering, behorend tot de wereld van een theoloog. Maar stellen alle ietsisten zich deze vragen? Of beleven ze eerder rondom hen heen en in hun persoonlijk leven een Mysterie dat, wat hen betreft, vooral niet onder woorden moet worden gebracht? 

Bron

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/13.jpg

4. Iets zij dank?

afbeelding-

afbeelding-

afbeelding-

afbeelding-

afbeelding-

5. Kerk voor 'ietsisten'?

Er moet een kerk komen voor 'ietsisten', mensen die geen waarde meer hechten aan oude dogma's en veronderstelde geloofszekerheden maar wel geloven dat er 'iets' is. Dat heeft Joan Elkerbout gezegd, die zaterdag in New York wordt gewijd als dominee die alle religieuze gezindten kan bedienen. "Ik ben niet opgeleid in één religie, maar in alle", zegt Elkerbout vrijdag in Trouw.

De domineesdochter wordt met de wijding in New York de eerste interreligieuze dominee van Nederland. In september wil ze een interreligieus kerkgenootschap beginnen waarin ze een relatie wil leggen met de spirit, de natuur, God of 'Iets'.

Godsdienstsocioloog van de Vrije Universiteit Hijme Stoffels beschouwt de nieuwe 'ietsisme'-kerk vooral als symptoom van een steeds groter wordende oriëntatie op spiritualiteit. "Die krijgt vorm in nieuwe bewegingen, maar ook in bladen of cursussen mindfullness en yogavakanties".

Volgens Stoffels ontstaan uit verschillende religies steeds meer mengvormen. "Het is symptomatisch voor deze tijd. In een zee van keuzemogelijkheden committeert (hecht, nvdr) een ietsist zich nergens meer aan, maar pakt uit meerdere religies het beste. Een snufje boeddhisme bijvoorbeeld en een beetje christendom".

Stoffels verwacht dat de 'ietsisme-kerk' eerder een ontmoetingsplek wordt waar mensen mediteren of waar pastorale hulp wordt verleend. "Het is maar de vraag of ietsisten met regelmaat bij elkaar willen komen, zoals in een kerk".

Belga, vrijdag 19 juni 2009

Koefnoen over ietsisme

6. Possibilisme: het atheïsme en ietsisme voorbij

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureleft/_medium/19.jpg

Weersta zekerheid en word possibilist: onderzoek zoveel mogelijk nieuwe mogelijkheden op het gebied van zingeving. Kijk of je de mogelijkheid kunt vieren en de onzekerheid kunt prijzen. Bewaar en erken het mysterie zonder je aan één doctrine of godsdienst uit te leveren. Dat is het advies van de neuroloog David Eagleman, een van de meest interessante denkers van Amerika.

Eagleman is het atheïsme en het agnosticisme voorbij. Waarom zouden we ons bij werkelijk grote vragen moeten beperken tot een geloof in God ofwel een ontkenning van God? We weten steeds beter hoeveel we niet weten. Dat is een uitstekend uitgangspunt voor een redelijke religie, betoogt hij. Hou zoveel mogelijk ballen in de lucht en beperk je niet tot één bepaalde traditie. Dat lijkt hem verstandiger dan  je blind varen op boeken die duizenden jaren geleden zijn geschreven door mensen die nooit de kans hebben gehad iets te weten te komen over de oerknal, DNA, planeten buiten ons zonnestelsel, bacteriële infecties of zelfs maar over andere culturen. Het gebrek aan kennis over de kosmos noemt hij in de New York Times te groot om ons tot het atheïsme te bekeren. En toch weten we ook weer te veel om ons tot een afzonderlijke religie te kunnen bekeren.

De blik naar het hogere is een magische, irrationele ervaring, zegt de hersenonderzoeker maar religies bieden de optimale verhalen om precies die hersendelen aan te spreken die onze emoties regelen. “In die zin ben ik een religieus mens.” De tegenwerpingen van het verstand kunnen weinig uitrichten tegen hun aantrekkingskracht: “Kijk maar eens wat het religieuze geloof heeft bijgedragen aan het verzet tegen het communisme.” Veel van de traditionele religieuze verhalen zijn mooi en ze bevatten veel wijsheid, maar de traditionele religies zijn waarschijnlijk te beperkt in het denken om correct te kunnen zijn: “We weten nu zoveel meer. Dus, ja, ik denk dat het mogelijk is en zelfs wenselijk om diepe bewondering te hebben voor de mysteries om ons heen. Dat kun je een vorm van religie noemen.”

De vraag of God bestaat, vindt hij te beperkt. Hetzelfde bezwaar heeft hij tegen ‘ietsisten’ die niet verder gaan dan zichzelf de vraag te stellen of God bestaat. Zij nemen wel aan dat er ‘iets meer’ is tussen hemel en aarde, maar gaan meestal niet op zoek naar antwoorden op existentiële vragen van het leven. De uitvinder van het begrip ietsisme, de atheïst Ronald Plasterk, noemde het ietsisme aanvankelijk niet voor niets een ‘religieus armzalig en irritant verschijnsel.” Eagleman beschouwt de zoektocht naar zingeving alleen al als een wetenschappelijke plicht.

Als teenager was Eagleman (1971) atheïst: “Ik begrijp nu dat mijn gedrevenheid om te praten over het atheïsme niets anders is dan een wens om mensen te laten toegeven dat er iets anders mogelijk is wan wat zij van hun ouders en omgeving hebben meegekregen.” Hij kijkt “met grote verbazing en ontzag” naar de wereld in de wetenschap dat het heelal vele malen groter is dan onze voorouders ooit konden vermoeden. Dat begint al bij de hersenpan: “Ons brein is een raadselachtig meesterwerk en misschien wel het meest verbazingwekkende dat het universum heeft geschapen”, zegt Eagleman die in Houston, Texas het Laboratory for Perception and Action van het Baylor College of medicine leidt. De wetenschap noemt hij nog steeds onze meest succesvolle toegang tot de onopgeloste raadsels van onze wereld. Onzekerheid is een ongemakkelijke positie maar zekerheid noemt hij een absurde positie om in te nemen. Eaglemans possibilisme heeft ook in Afrika de aandacht getrokken. De Uganda Daily Monitor ziet het als een nieuwe religie die alle wensen van areligieuzen vervult: “Haar stuwende kracht is de stelling: we onderschrijven geen enkel dogma. Ze biedt een opening voor iedereen die een levensbeschouwing zoekt die geen beperkingen kent, noch de strenge regels van bijna alle religies.”

De Amerikaan overweegt rond zijn filosofie van het possibilisme een beweging te stichten. Een boek met de titel Why I Am A Possibilian heeft hij al aangekondigd. (…)

7. Zolang je nog in iets gelooft…

Zolang je nog in iets gelooft (Will Tura)

Iedereen heeft ooit
Op z’n ster gewacht
Ieder wenst zich rust
In een kille winternacht

Ieder zoekt wat steun
In een troostend woord
Ieder voelt zich beter
Als hij de stilte heeft gehoord

En vannacht zoek ik wat vrede
Op een bank in een kapel
Ik weet niet echt wat ik hier doe
Maar het helpt

Ik brand een kaars
En buig m’n hoofd
Zolang je nog in iets gelooft
Is er hoop

Iedereen stond ooit
Moederziel alleen
Ergens in de schaduw
Zonder vrienden om zich heen

Iedereen heeft ooit
Op het licht gewacht
Ieder zoekt wat warmte
Aan het eind van de langste nacht

En vannacht zoek ik wat vrede
Op een bank in een kapel
Ik weet niet echt wat ik hier doe
Maar het helpt

Ik brand een kaars
En buig m’n hoofd
Zolang je nog in iets gelooft

Ik brand een kaars
En buig m’n hoofd
Zolang je nog in iets gelooft

Is er hoop
Is er hoop
Is er hoop
Is er hoop
Is er hoop

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/picturesblocks/20.jpg

Believe In Something (Fisher)

If I could just believe in something
If I could just believe in anything at all
If I could just believe in someone
I’d be happy…

I’d even settle for a false hope
I still believe it’s better than no hope at all
Somebody hit me with a pipe dream
And I’d be happy – I’d be happy

I would run up-hill
Without a single care in the world
Hoping soon that I’d be running down
To something

I’d like to believe that somewhere
Someone is writing all the words I long to hear on
A giant billboard for outside my front door
To make me happy
It would make me happy

I would take a chance
- purely from ignorance
Blissfully thinking soon that I’d be coming home
To something…someone

If I could just believe in anything

8. Wankelmoed

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureleft/_medium/21(5).jpg

Vanaf zijn zesde jaar vond mijn zoon het leuk om af en toe lopend van school naar huis te gaan in plaats van met de tram. Een wandeling van drie kwartier, dwars door de stad, waarbij we soms opeens in een serieus gesprek belandden. Over de dood, de subtiele overgangen tussen de seizoenen of over wat de wezenlijke verschillen tussen dieren en mensen zijn, bijvoorbeeld. Ook nu weer. Vraag me niet hoe oud hij op dat moment was, maar we gingen diep in op een onderwerp en zelfs zo, dat we in een boekwinkel gewoon verder spraken. Terwijl ik voor een jarige vriend een cadeautje uitzocht, stelde mijn zoon vragen, steeds voorafgegaan door een korte stilte, waarin hij kennelijk over de door mij gemaakte opmerking had doorgedacht.

De mevrouw achter de kassa had het nodige opgevangen, want toen ik afrekende, wees ze op mijn zoon die op dat moment door een Voetbal International bladerde en fluisterde: 'En dan nog steeds in de waarom-fase?' Erg assertief ben ik niet, maar dit keer kon ik niet anders dan antwoorden dat ook ik daar nooit meer was uitgekomen. 'En gelukkig maar!' voegde ik er strijdbaar aan toe. Misschien is 'gekrenkt' hier trouwens een beter woord.

Waarschijnlijk onopzettelijk had de winkelmedewerkster me weer eens laten voelen dat er voor het stellen van waarom-vragen een duidelijk afgebakende periode in een mensenleven bestaat en dat iemand in de basisschoolleeftijd daar allang uit hoort te zijn.

(…) Wankelmoed is: op de vraag hoe jij denkt over het Palestijns-Israëlitische conflict, zeggen dat je daarover geen mening hebt of wilt hebben. Niet omdat het onderwerp je koud laat, maar omdat je het moeilijk vindt om alle informatie en opinies zorgvuldig af te wegen. En hoe meer informatie erbij komt, hoe moeilijker dat wordt.

Wankelmoed is: als deskundige worden aangesproken en dan toch durven opmerken dat jij ook geen idee hebt hoe je een bepaald probleem kunt oplossen, ook al heb je ervoor doorgeleerd en heb je veel ervaring met soortgelijke kwesties.

Wankelmoed is: in een gesprek een vraag durven stellen als je iets niet begrijpt. Hardop zeggen dat je de visie van de ander waardeert en leerzaam vindt, en dat je nog nooit eerder op die manier naar het onderwerp hebt gekeken. Dat je zelfs moet bekennen dat je er tot nu toe behoorlijk naast hebt gezeten of je baseerde op (voor)oordelen die je nooit aan de werkelijkheid hebt getoetst.

Wankelmoed is: een scherp onderscheid durven maken tussen de knappe theorieën die je te berde kunt brengen en je onhandige gestuntel in het leven van alledag. Het is een scherp onderscheid durven maken tussen persoonlijke beleving en gevoelens enerzijds en gedachten en oordelen anderzijds.

(…) Wankelmoed maakt mensen geloofwaardig. Van iemand die zelf ook blijft twijfelen, zoeken en doorvragen, neem je eerder iets aan dan van iemand die zegt: “Het is nu eenmaal zo en daarmee uit.” Al die zekerweters, mensen in de daarom-fase, doen zichzelf tekort. Ze ontzeggen zichzelf onbevangenheid en verwondering. Terwijl mensen die zichzelf wankelmoed toestaan, te raken zijn door nieuwe sensaties, inzichten, ontdekkingen en ontmoetingen – allemaal zaken die onontbeerlijk zijn als je wilt groeien in het leven.

Désanne van Brederode in Flow 6, september 2013

Didactische suggesties

1. Wat geloof jij eigenlijk?

  • Het is belangrijk om lessen rond ietsisme niet zomaar als een abstract gegeven te presenteren bij de leerlingen, maar om dit ietsisme te duiden als een manier om naar het leven en naar geloof te kijken, die misschien ook wel bij de leerlingen zelf aanwezig is. Daarom is het goed om in eerste instantie te peilen naar de eigen geloofsopvattingen van de leerlingen.

Wat leerlingen uit 4ASO en 4BSO zeggen over geloof

afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictureleft/_medium/22(2).jpg
  • Men kan de leerlingen laten neerschrijven wat en waarin zij zelf geloven. Dit kan eventueel anoniem gebeuren. Achteraf wordt dit klassikaal besproken. Op die manier wordt al een beeld gevormd van hoe de leerlingen naar geloof kijken.
  • Men kan de leerlingen na het neerschrijven van de eigen visie ook de uitspraken van leerlingen uit 4SO en 4BSO laten lezen en hen laten aangeven met welke uitspraken ze het al dan niet eens zijn en waarom. Men zou de leerlingen de uitspraken ook kunnen laten ordenen in verschillende categorieën (bijvoorbeeld: gelovig, niet-gelovig, twijfelend - gelovend in God, gelovend in ‘iets’, gelovend in niets, gelovend in alles…). Dit kan men ook doen met wat de klas zelf heeft neergeschreven. 

Citaten

  • Bij de citaten kiezen de leerlingen er eentje uit waar ze zelf een reflectie op schrijven en waar ze hun eigen geloofsopvatting in verwerken. Dit kan een citaat zijn dat heel ver van hun geloofsopvatting staat en waar ze kritiek op uiten ofwel een citaat waar ze het mee eens zijn en dat ze verdedigen. Deze oefening kan een alternatief zijn voor of aanvulling vormen op de vorige.
  • Ook hier kan men de leerlingen de citaten laten ordenen volgens de visie die er achter schuil gaat. Hier kan het eventueel nodig zijn om de leerlingen te introduceren in enkele termen zoals theïsme, agnosticisme, atheïsme, nihilisme, ietsisme,… (of om deze termen bij hen op te frissen). 

Wat geloof jij eigenlijk?

  • De tekening van Margreet De Heer geeft de leerlingen handvaten om zelf neer te schrijven wat zij geloven. Hier gaat het dan niet alleen om het al dan niet geloven in God/het hogere, maar ook om anderen/omgeving/jezelf. Ook vanuit de tekening kan men de leerlingen laten neerschrijven (of vormgeven) waarin zij zelf geloven.
  • De extra vragen die Margreet De Heer stelt zorgen ervoor dat de leerlingen meer gaan nadenken over hun antwoord en dat zij op die manier tot een synthese kunnen komen van waarin zij geloven. Die synthese kunnen de leerlingen eventueel voorstellen voor de klas.
  • Het is mogelijk om de leerlingen hieraan te laten (bij)werken doorheen het hele jaar (bijvoorbeeld in het zesde jaar secundair onderwijs) aangezien de relevantie van dit schema zeker niet beperkt is tot lessen rond ietsisme. 

2. De term ‘ietsisme’

  • Uit het spreken rond de geloofsopvatting van de leerlingen is allicht duidelijk geworden dat bepaalde leerlingen binnen de zogenaamde categorie van het ietsisme vallen. De term ietsisme wordt klassikaal uitgelegd en de leerlingen geven zelf aan of zij zichzelf enigszins herkennen in het ietsisme. Waarom wel of niet? Vinden zij deze term positief klinken of klinkt het eerder negatief (omdat heel wat termen op –isme die we kennen vaak negatief geladen zijn). Het is belangrijk om bij de leerlingen te duiden dat ietsisme door sommigen negatief bekeken wordt en door anderen weer heel positief.
  • Het gedicht kan gebruikt worden om even stil te staan bij de betekenis van het woord ‘iets’. Wat is dat, iets? Waarom wordt dit woord gebruikt? Waarom zou de term ‘ietsisme’ gebruikt worden? Wat is het ‘iets’ waar het in het ietsisme om draait? Hoe wordt dat ‘iets’ door de leerlingen zelf geduid (bijvoorbeeld leven na de dood, een hogere macht, een levenskracht, reïncarnatie, een macht die de wereld heeft geschapen…).

3. Visies op het ietsisme

  • De leerlingen lezen de verschillende visies op het ietsisme. Uit deze visies halen zij zowel positieve appreciaties van het ietsisme als negatieve. Zo kunnen zij de mogelijke kritieken op en positieve kanten van het ietsisme in kaart brengen. Men kan hiervoor de klas in groepjes verdelen, waarbij elk groepje met één visie (of twee) aan de slag gaat.
  • Vanuit de teksten kan men klassikaal in gesprek gaan rond een aantal vragen. Zowel argumenten uit de teksten als eigen argumenten van de leerlingen worden binnengebracht in het gesprek:
    • Zijn ietsisten vooral mensen die geen moeite willen doen om grondig na te denken over zingeving?
    • Kan je als christen ietsist zijn?
    • Kan je niet bidden tot de kosmos?
    • Staan wetenschappers niet open voor het mysterie?
    • Berust het ietsisme vooral op een gevoel?
    • Komt ietsisme voort uit het feit dat we niet alles kunnen begrijpen?
    • (In welke zin) is het ietsisme een kritiek op het christendom?
    • Wat gaat er van het christendom verloren als mensen zich niet langer christen noemen maar ietsist?
    • Zijn ietsisten eigenlijk laffe atheïsten?
    • Kan je spreken over ietsisten in het algemeen? Waarom wel of niet?
    • Wat heeft ietsisme met verwondering te maken?
  • De tekst van Lieven Boeve kan van naderbij bekeken worden en met name vanuit het verschil tussen het ietsisme en het christendom. Hier kan het interessant zijn om ook naar de achtergrondinfo te verwijzen (detraditionalisering, pluralisering, ietsisme in relatie tot het christendom,…) om het ietsisme op die manier (historisch) te duiden en ook de band met en de verschillen met het christendom te tonen. Hier kan men ook stilstaan bij wat het christendom nu zo specifiek maakt én waarom bepaalde elementen van het christendom (of van georganiseerde religie) zo moeilijk liggen voor mensen.
  • Ook de afbeeldingen kunnen in het gesprek betrokken worden.

4. Iets zij dank?

  • De leerkrachten krijgen even duiding over deze campagne van enkele jaren geleden (2006). De campagne was namelijk en initiatief om het onderwerp geloven weer bespreekbaar te maken. De leerlingen geven zelf aan waarop hier kritiek wordt geuit en of zij vinden dat deze kritiek terecht is. Is het zo dat mensen God niet meer bij naam durven noemen? Is ‘iets’ een synoniem voor God? Kan ‘iets’ God zomaar vervangen?
  • Extra info over de campagne: “'Durf geloven', gaat uit van het feit dat meer dan de helft van de Vlamingen zich als gelovig bekent. Vaak gaat dat geloof niet verder dan dat men in iets gelooft, het zogeheten 'ietsisme'. De campagne speelt daarop in met slogans als: 'Leven als iets in Frankrijk? Iets zij dank? Iets beware u? Iets en klein pierke? ... "Met deze campagne willen we het spanningsveld tussen 'iets' en 'God' bespelen'', zegt Demey. "We maken een campagne over dat 'iets'. Geen campagne die moet overtuigen dat er 'iets' is, maar een oproep om dat 'iets' weer bij naam te noemen, namelijk 'God'. Onbewust doen velen van ons dat zelfs nog altijd: als ze vloeken, als ze enthousiast zijn, als ze de hemel danken. Ook in volkswijsheden en gezegden komt God terug. Maar als we er bewust over nadenken, durven we 'God' niet uitspreken. Dan houden we het bij 'iets'. Met deze campagne willen we de mensen daarover even laten nadenken."
  • Meer over religie en reclame in: http://www.kuleuven.be/thomas/page/geloof-en-media/#13766

5. Kerk voor 'ietsisten'?

  • In het artikel wordt de kerk voor ietsisten positief geduid, terwijl in het satirische programma Koefnoen net de draak gestoken wordt met een georganiseerde vorm van ietsisme.
  • In Koefnoen worden zowel bepaalde vormen van georganiseerd (christelijk) geloof als het ietsisme op zich onder kritiek geplaatst. Welke kritiek wordt op het ietsisme gegeven en welke op bepaalde mistoestanden binnen georganiseerd geloof?
  • De leerlingen geven aan in welke zin een kerk voor ietsisten al dan niet een soort van contradictio in terminis is. Is het zinvol dat er zoiets bestaat als een kerk voor ietsisten? Hoe zou dit er dan moeten uitzien? Wat zou de inhoud zijn van een dergelijke viering?
  • In het artikel wordt gesproken over een steeds groter wordende oriëntatie op spiritualiteit. Waarin is dit te merken en wat zegt dit over (het wezen van) de mens?
afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictures_bottom_middle/_medium/23(3).jpg

http://blogs.uoregon.edu/aad250aclyde/files/2013/06/spirituality-14imgb2.jpg

6. Possibilisme: het atheïsme en ietsisme voorbij

  • In het artikel wordt gesproken over het possibilisme. Volgens de auteur is dit een soort van ‘redelijke religie’ die verder gaat dan het ietsisme. De leerlingen geven aan in welke zin het possibilisme verschilt van het ietsisme (als het er al van verschilt) en wat precies de kenmerken zijn van dit possibilisme.
  • Enkele extra vragen:
    • Is het niet zo dat het possibilisme gewoon een doordachte variant is van het ietsisme?
    • Welke elementen uit religies vindt de auteur belangrijk?
    • Welke elementen uit religies vind je zelf belangrijk?
    • Welke elementen uit religies gooien possibilisten (en ietsisten) overboord?
    • Welke elementen uit religies gooi jij overboord?
    • Hoe ziet Eagleman religie?
    • Vind jij dat mensen de plicht hebben om te zoeken naar zingeving?
    • Vind jij zekerheid ook een absurde positie om in te nemen? Waarom wel of niet?

7. Zolang je nog in iets gelooft…

  • Vanuit de twee songs kan men met de leerlingen in gesprek gaan over de kracht en het belang van ‘in iets geloven’. De leerlingen leggen de link tussen ‘geloof’ en ‘hoop en ‘geloof’ en ‘geluk’. Waarom vinden mensen het zo belangrijk om in iets te geloven? Wat is het gevolg als je nergens in gelooft? Is het wel mogelijk om nergens in te geloven?
  • Men kan de leerlingen vragen of zij soms naar een kerk of kapel gaan zonder dat zij eigenlijk goed weten wat ze er doen. Wat is het dat zij daar vinden of wat mensen daar kunnen vinden?

8. Wankelmoed

  • Het ietsisme wordt door sommigen geduid vanuit de gedachte dat men in het leven dingen niet zeker weet, en vanuit nieuwsgierigheid en verwondering. Van hieruit kan men even stilstaan bij wankelmoed. Dit woord wordt tegenwoordig soms omschreven als een nieuwe deugd.
  • De leerlingen lezen de tekst en omschrijven in eigen woorden wat nu met wankelmoed bedoeld wordt. Ze geven ook een situatie weer waarbinnen zij zelf wankelmoedig waren. Wat heeft wankelmoed nu met een bepaalde (positieve) invulling van ietsisme te maken?
  • Wat zijn volgens de auteur de voordelen of mooie kanten van een wankelmoedige houding? In welke zin kan een dergelijke houding ook voor een gelovig iemand van belang zijn en in welke zin heeft het een positieve invloed op iemands levensbeschouwing in het algemeen?
  • Hoe zou je het tegendeel van wankelmoed kunnen omschrijven en wat is de negatieve invloed daarvan op iemands levensbeschouwing?
afbeelding-/thomas/cms2/uploads/image/pictures_bottom_middle/_medium/24(1).jpg

http://farm3.staticflickr.com/2655/4174516437_13ccf3d285_o.jpg

Reacties

#1 |

gepost op 11/11/2013

Over ietsisme en meta-ietsisme (achtergrond)

In 'Mijn God!' - 'Hoezo?' maakt Frank Vande Veire een onderscheid tussen ietsisme en meta-ietsisme. Vande Veire (1958) schrijft essays in het domein van de filosofie, de beeldende kunst en de literatuur en steekt zijn interesse voor de psychoanalyse niet onder stoelen of banken. Hoewel het artikel stamt uit 2008 en geschreven is vanuit een impliciet atheïstische standpunt, kan de inhoud nog steeds relevant zijn voor deze 'In de kijker'. Het werd onlangs (31/10/2013) opnieuw gepubliceerd op nY, een website (en tijdschrift) voor literatuur, kritiek en amusement. 

In deze bijdrage wil ik even kort op dat onderscheid ingaan en een synopsis van het artikel geven. Voor Vande Veire is ietsisme 'een compromis tussen de onbewuste wens naar een God en het bewuste inzicht dat er geen enkele reden is om zijn bestaan aan te nemen'. Door God 'Iets' te noemen, al dan niet met een hoofdletter, bekent de ietsist zich tot het moderne scepticisme dat God slechts als een wensfantasie afschildert. 

Meta-ietsisme lijkt dan weer heel sterk op een soort van 'zwak' atheïsme: niet geloven dat God bestaat is immers iets anders dan geloven dat God niet bestaat. Sommige handboeken maken een onderscheid tussen beide uitspraken en bestempelen deze laatste als een 'sterk' atheïsme, omdat je er van overtuigd bent dat God niet bestaat, niet enkel voor jou, maar eigenlijk voor niemand. Je benadrukt met andere woorden dat God een wensfantasie is. Een zwak atheïsme geeft dan weer aan dat het net jij is, die dat niet gelooft, maar dat je niet wil uitsluiten dat anderen kunnen geloven en dat misschien zelfs nodig hebben. Op die laatste variant van het atheïsme kan je het meta-ietsisme dat Vande Veire behandelt, hechten. 

Hij omschrijft die opvatting als de idee 'dat mensen in het algemeen er nu eenmaal nood aan hebben in iets te geloven en wel om een laatste zin te geven aan hun leven'. Meta-ietsisten verdedigen het belang van religie zonder expliciet zelf te geloven en verengen het begrip van religie tot iets dat mensen een identiteit geeft en een zekere 'communitaristische' waarde heeft. Meta-ietsisten zeggen dat geloof noodzakelijk is voor anderen, maar die verdediging ondergraaft eigenlijk de mogelijkheidsvoorwaarden voor het geloven zelf. Vande Veire omschrijft deze opvatting zelfs als een projectie die gedragen wordt door een fascinatie voor het geloof van anderen. Een meta-ietsist verbindt zich echter ook tot 'Iets' (dat hij duidelijk verborgen houdt) en doet dus vooral alsof geloof een volledig rationeel te verantwoorden kwestie is, zonder er zich schijnbaar verder mee bezig te houden. Daarmee wordt het geloof echter op een - zeg maar - ongeloofwaardige geïnstrumentaliseerd. 

Voor een meer specifieke invulling van deze begrippen, is het aan te raden het artikel te lezen. Het eerste deel is relevant voor beide begrippen: ietsisme & meta-ietsisme.

Volg Thomas op

Download de Thomas-app