Tijdschriften

Collationes - 47e jaargang, nr. 2, Juni 2017

Artikel: Godfried Danneels, een kerkleider van formaat. Reflecties bij zijn recente biografie

Bladzijde: 203-212

In 2015 verscheen bij uitgeverij Polis van de hand van de Leuvense kerkhistorici Jürgen Mettepenningen en Karim Schelkens een lijvige biografie over kardinaal Godfried Danneels. Lieve Gevers (Em. hoogleraar Geschiedenis van Kerk en Theologie, Nieuwste Tijd aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KU Leuven) bespreekt deze uitgave. Eerst vat ze de voornaamste gegevens uit dit levensverhaal samen. Vervolgens evalueert ze de biografie. Het boek van Mettepenningen en Schelkens is een rijkelijk gedocumenteerd levensverhaal. Het geeft een goed inzicht in de innerlijke keuken van een wereldkerk en toont ook de belangrijke rol aan die kerkleiders op internationaal niveau achter de schermen kunnen spelen. Het focust evenwel vooral op de persoon van Danneels, eerder dan op zijn rol als aartsbisschop. De auteurs maakten gebruikt van heel wat archiefmateriaal en van gepubliceerde en orale bronnen, daaronder een serie gesprekken met de kardinaal. Deze persoonlijke getuigenissen geven deze biografie duidelijk een eigen kleur.

In 2015 verscheen bij uitgeverij Polis van de hand van de Leuvense kerkhistorici Jürgen Mettepenningen en Karim Schelkens een lijvige studie over kardinaal Godfried Danneels, die gedurende meerdere decennia in het recente verleden fungeerde als aartsbisschop van Mechelen.[1] Dat is op zich een belangrijk feit in de historiografie van de Belgische kerkgeschiedenis. Weinig Belgische kerkvorsten vormden tot nog toe het voorwerp van een volwaardige biografie.[2]

De wording van een christelijk humanist

Godfried Danneels stamt uit een onderwijzersgezin van het West-Vlaamse Kanegem. Hij werd primus perpetuus in het Sint-Jozefscollege van Tielt en bleek door zijn begaafdheid al snel tot hoger geroepen. Zijn seminarie-opleiding in de jaren 1950 voltrok zich niet in de Brugse beslotenheid, maar bood de gelegenheid tot verkenning van verdere horizonten, aanvankelijk in het geprivilegieerde milieu van het Leuvense Leo XIII-seminarie, daarna in het Belgisch college in Rome. Leuven bracht hem in contact met de 19de-eeuwse godsdienstcritici en de moderne existentiefilosofie. Het universitaire milieu werkte ook bevorderend voor zijn openheid tegenover de eigentijdse cultuur en wereld. Rome gaf hem een gedegen opleiding in de klassieke thomistische theologie en liet hem kennismaken met het altijd waakzame toezicht van de pauselijke curie op theologie en Bijbelonderzoek. Zijn leven werd, zo valt te concluderen uit het vervolg van de biografie, een synthese van deze twee opleidingsculturen. Het maakte hem tot een gematigd hervormer, loyaal maar niet kritiekloos tegenover zijn kerk, open maar tegelijk ook begrenzend tegenover vernieuwingen in theologie en pastoraal. Zoeken naar synthese vormde eveneens de leidraad van het doctoraat dat hij in 1961 in de Gregoriana voorbereidde over Hendrik van Gent en de historische grondslagen van het thomisme.

Intussen was Danneels in 1957 tot priester gewijd en sinds 1959 actief als geestelijk bestuurder en professor aan het grootseminarie in Brugge. Het was in die laatste functie dat hij zich begon te specialiseren in liturgie en sacramententheologie. Getraind als hij was in Romeinse rubricistiek, was hij aanvankelijk een koele minnaar van de aspiraties van de liturgische beweging. Maar het ophanden zijnde Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) had een dynamiserend effect op hemzelf, net zoals op zijn Brugse omgeving. Hij werd een gewaardeerd lid van de Interdiocesane Commissie voor Liturgische Zielzorg (ICLZ) voor de implementering van de conciliebesluiten. Hij gaf ook zijn beste krachten aan de projecten van de Affligemse Werkgroep voor Liturgie (AWL) waarbij hij sinds 1963 door de benedictijn Ambroos Verheul werd betrokken. De bedachtzame aanpak van deze Werkgroep beviel hem beter dan de naar zijn aanvoelen al te drastische vernieuwingen waar de Nederlandse commissie voor Liturgie (NCL) op aanstuurde, laat staan de ongecontroleerde liturgische experimenten van onderuit. Zijn expertise op het vlak van liturgie en sacramentenleer kreeg academische allures toen hij in 1969, na de splitsing van de Leuvense universiteit, deeltijds docent werd aan de Nederlandstalige Faculteit der Godgeleerdheid. In zijn bisdom werd hij bovendien nog verantwoordelijk voor de diakenopleiding en verkozen tot moderator van de priesterraad. Niet verwonderlijk dat zijn gezondheid er in het voorjaar 1971 even onderdoor ging.

Dat alles maakte hem tot een gezaghebbende stem in de Vlaamse kerk in een tijd dat deze werd geconfronteerd met turbulente ontwikkelingen. De encyclieken Sacerdotalis coelibatus (1967) en Humanae vitae (1968) hadden de discussie over ambtsproblematiek en huwelijk aangewakkerd. Tegenover pleitbezorgers van een functionele benadering van het priesterschap en een ontkoppeling van ambt en celibaat, waartoe ook kardinaal Suenens behoorde, week Danneels nooit af van de klassieke ontologische opvatting van het ambt, die hij ook in Lumen vitae bevestigd vond. Er was naar zijn oordeel een wezenlijk onderscheid tussen gewijden en leken en tussen een gehuwde diaken en een priester. Zijn benadering van het huwelijk vertrok van eenzelfde sacramenteel denkkader, zij het gesteld in een humaan-antropologisch perspectief. ‘Dit ineenhaken van het theologische en het humanum werd Danneels’ stokpaardje.’ (p. 115) Hij manifesteerde zich, naar het oordeel van de auteurs, steeds duidelijker als een ‘christelijk humanist’. Toen hij in 1977 tot bisschop van Antwerpen werd benoemd, koos hij niet toevallig als devies: ‘Apparuit humanitas Dei nostri’ (Verschenen is de menselijkheid van onze God).

 

Van studax tot herder

Danneels dankte deze eervolle aanstelling tot bisschop aan de reputatie die hij intussen had opgebouwd als een man ‘van synthese en evenwicht’, een man ‘van het midden’. Ze bracht een fundamentele wending in zijn leven: de studax werd een herder. Maar er werd de West-Vlaming nauwelijks tijd gegund om aan zijn nieuwe omgeving te wennen. Twee jaar later, in december 1979, volgde zijn benoeming tot aartsbisschop van Mechelen-Brussel en in 1983 zijn creatie tot kardinaal. In de twee volgende decennia verwierf de Mechelse kerkvorst een belangrijke invloed in de wereldkerk. Hij werd lid van de Congregatie van Geloofsleer en van verscheidene andere Romeinse dicasteries en speelde een voortrekkersrol in de Europese bisschoppenconferentie (CCEE). Het Vaticaan vertrouwde hem belangrijke taken toe, zoals die van voorzitter van de bijzondere bisschoppensynode over de Kerk in Nederland in 1979 en, in 1985, die van relator van de belangrijke synode ter evaluatie van twintig jaar concilie. De teksten en toespraken die hij op deze bijeenkomsten en ook op andere kerkelijke synodes en symposia naar voren bracht vonden over het algemeen veel waardering en bijval.

            Met de tijd evolueerden zijn inzichten en opvattingen. Danneels schaarde zich met overtuiging achter de campagne van Johannes Paulus II voor een nieuwe evangelisatie van het Europese continent als antwoord op de om zich heen grijpende secularisatie. Deze aanpak leek aanvankelijk zijn vruchten af te werpen. Het pausbezoek van 1985 aan België werd  ‒ anders dan in Nederland ‒ een onverhoopt succes. Het Geloofsboek dat de Belgische bisschoppen in 1987 publiceerden, wordt door de auteurs bovendien gekarakteriseerd als ‘een van de laatste hoogtepunten van het klassieke kerkelijke leven in België’ (p. 212). Maar de kardinaal gaf zich tegelijk rekenschap van de weerstanden die de Kerk opriep, niet enkel bij ongelovigen, maar ook bij groepen die zich gediscrimineerd voelden, zoals vrouwen en homoseksuelen. Hij distantieerde zich van het cultuurpessimisme en het confrontatie-denken waarvan de prefect van de Congregatie van Geloofsleer, kardinaal Joseph Ratzinger, steeds duidelijker blijk gaf.

Zijn bereidheid tot dialoog bracht hem tot meer genuanceerde standpunten en tot voorzichtige openheid. Danneels bleef weliswaar onverkort vasthouden aan het wezenlijke onderscheid tussen gewijden en leken, maar bepleitte in 1987, op de synode over de leek, een reflectie over het vrouwelijk diaconaat. Hij wilde niet raken aan de academische vrijheid van de Leuvense katholieke universiteiten en nuanceerde de strikte Romeinse standpunten inzake ethische kwesties, al gebeurde dat naar het oordeel van sommigen op een al te behoedzame manier. Hij bekritiseerde de abortuswet die in 1990 in het Belgisch parlement werd goedgekeurd, maar respecteerde de onafhankelijkheid van de burgerlijke orde en steunde premier Wilfried Martens in zijn spitsvondige oplossing van de constitutionele crisis die ermee gepaard ging.

 

Kerk als communio

De goede verhouding met Rome werd door dat alles op de proef gesteld. Al in 1984 begon zich een verwijdering af te tekenen tussen Danneels en Ratzinger, met name in het debat rond de bevrijdingstheologie. Ondanks zijn eens te meer genuanceerde oordeel over deze problematiek liet Danneels zich, onder de indruk van de reis die hij dat jaar naar Latijns-Amerika maakte, opmerken als een beschermer van bevrijdingstheologen. Hij opperde niet alleen inhoudelijke bezwaren tegen de instructie die Ratzinger tegen de bevrijdingstheologie uitvaardigde, maar sprak ook zijn afkeuring uit voor de gevolgde procedure bij deze beslissing: hij was er als lid van de Congregatie voor Geloofsleer nooit over geconsulteerd. De hele kwestie veranderde, zo stellen de auteurs, zijn beeld van de Kerk. Ze maakte hem kritischer voor de gevaren van een centralistisch en uniform model.

Dat moest onvermijdelijk de spanning met Ratzinger opdrijven. De machtige Romeinse prelaat werd in de jaren 1980 de motor van de tendens naar centralisatie. Met de publicatie van zijn Rapporto sulla fede in 1985 poogde de kardinaal-prefect in die zin zijn agenda op te dringen aan de belangrijke synode ter evaluatie van het Tweede Vaticaans concilie. Het Ratzinger-rapport bevestigde het leergezag van de centrale kerkleiding en ontkende de bevoegdheid van bisschoppenconferenties. Danneels, in zijn rol van relator van de synode, zocht naar een balans tussen een hiërarchische en een synodale kerkvisie. In het slotdocument dat hij samen met secretaris Walter Kasper aan de synode presenteerde, hanteerde hij communio als sleutelbegrip. Hij vatte het op als een inclusieve notie die ruimte liet voor collegialiteit en lokale verantwoordelijkheid van de bisschoppen. Danneels’ nota mocht dan een bijsturing zijn van de centralistische visie van Ratzinger, zij werd niettemin in progressieve kringen op kritiek onthaald. De aan Vaticanum II gerelateerde opvatting van de Kerk als ‘volks Gods’ werd er naar hun aanvoelen namelijk door verdonkeremaand.

Kardinaal Ratzinger van zijn kant hield vast aan een hiërarchische interpretatie van het communio-begrip. De Europese bisschoppenconferentie met haar standplaats in het Zwitserse Sankt Gallen voerde naar het oordeel van Romeinse instanties een al te autonome koers onder voorzitterschap van de progressieve Milanese kardinaal Carlo Maria Martini, met wie Danneels goed bevriend raakte. Zij behoorden beiden tot het kerngroepje dat zich sinds 1988 binnen de bisschoppenconferentie vormde en dat bisschoppelijke collegialiteit, participatie en decentralisatie hoog in zijn vaandel voerde. Al snel groeide van hoger uit de druk om de CCEE onder Romeinse vleugels te krijgen. De spanningen met de centrale kerkleiding namen toe toen Rome in 1990 de Europese bisschoppenconferentie in snelheid nam bij het organiseren van een Europasynode naar aanleiding van de val van de Berlijnse muur.

Voor Danneels kwam het breekpunt in 1993, toen zich de kwestie stelde van de opvolging van Martini als voorzitter van de Europese bisschoppenconferentie. De Mechelse kerkvorst was daarvoor getipt als de beste kandidaat. Maar Rome stak er een stokje voor en drong zijn eigen man op met de benoeming van de Praagse kardinaal Miloslav Vlk.  Danneels ervaarde het hele gebeuren als een feitelijke ontmanteling van de CCEE en ging er zich vanaf dan minder in engageren. In zijn eigen Belgische kerkprovincie had hij intussen de dreun al moeten incasseren dat André Léonard in 1991 tot bisschop van Namen was benoemd, met veronachtzaming van de wensen en gevoeligheden van de lokale Kerk.

 

Het internationale forum

Sinds omstreeks 1990 brak hoe dan ook een nieuwe fase aan in Daneels’ episcopaat. Niet enkel wegens de groeiende afstand van Rome, maar ook wegens de belangrijke rol die hij in de volgende decennia ging spelen als geestelijk leider op het wereldforum. Zijn aanvankelijk door zijn oversten ‘toevertrouwd (binnenkerkelijk) engagement’ (Deel IV van de biografie over de periode 1979-1993) zette zich voort in een door hemzelf ‘opgenomen (meer wereldgericht) engagement’ (Deel V over de jaren 1993-2010). Danneels was van 1990 tot 1999 internationaal voorzitter van Pax Christi, werd in de volgende vijf jaar bestuurslid van de World Conference on Religion and Peace (WCRP) en speelde vervolgens vanaf 2004 een voortrekkersrol in de European Council of Religious Leaders (ECRL). Dat gebeurde tegen de achtergrond van sterk verschuivende politieke en religieuze krachtverhoudingen in de mondiale samenleving, zowel in postcommunistisch Europa als in Afrika en het Midden-Oosten.

In het kader van de katholieke vredesorganisatie Pax Christi speelde Danneels een soms zeer actieve bemiddelende rol in oorlogen en conflicten, zoals in Joegoslavië, Sudan en Congo. Zijn volgende engagementen in de WCRP en de ECRL waren in het bijzonder gericht op het bevorderen van de interreligieuze solidariteit, niet enkel met de diverse christelijke denominaties, zoals de herlevende Russisch-orthodoxe kerk, maar ook met de andere wereldreligies, zoals het jodendom en de islam. De Mechelse prelaat manifesteerde zich in deze context eens te meer als een man van dialoog en een kundig diplomaat. Meer dan ooit ontpopte hij zich tot een belangrijk spiritueel leider in Europa die het zijne bijdroeg tot de ‘morele alliantie van wereldreligies’ waartoe omstreeks de eeuwwende door de paus werd opgeroepen (p. 441).

 

Tussen Sankt Gallen, Mechelen en Rome

Intussen zette Danneels zijn Europese engagement ook verder op binnenkerkelijk vlak. Hij ging een alweer betekenisvolle rol spelen in de zogenaamde ‘Groep van Sankt Gallen’. Dat was een besloten club van hervormingsgezinde kardinalen en bisschoppen die sinds 1996 in deze Zwitserse plaats bijeenkwamen om het eerder door Rome gekaapte initiatief van de CCEE voort te zetten. Ze vonden elkaar in hun contestatie van het Romeinse restauratieve beleid onder aansturing van Ratzingers Congregatie van Geloofsleer. In hun jaarlijkse bijeenkomsten werd er in alle vrijmoedigheid gediscussieerd zonder dat er notulen werden gemaakt. Alle relevante kerkkwesties passeerden er de revue, van binnenkerkelijke discussiepunten, zoals het Romeinse centralisme, de bisschoppelijke collegialiteit, het priesterambt, het vrouwelijk diaconaat en ethische kwesties (echtscheidingsproblematiek, homoseksualiteit), tot ruimere maatschappelijke problemen, zoals die van de radicaliserende islam en het opduikende fundamentalisme. De leden vormden als zodanig een informele drukkingsgroep die hun anti-Ratzinger-invloed lieten gelden in de media en op internationale kerkvergaderingen. In de laatste jaren van het pontificaat van Johannes Paulus II werden in die zin strategieën ontwikkeld ter voorbereiding van het volgende conclaaf. In 2005 kwam de ontgoocheling. De verkiezing van Ratzinger tot de nieuwe paus, Benedictus XVI, betekende meteen ook het einde van de ‘Groep van Sankt Gallen’.

Danneels mocht dan in de universele kerk een vooruitstrevend imago verwerven, in zijn lokale Belgische omgeving was dat niet altijd evident. In zijn dagelijkse aartsbisschoppelijke beleid zag hij zich voortdurend genoopt tot een delicate evenwichtsoefening tussen de strakke Romeinse standpunten, zijn eigen opties als christelijk humanist en, niet het minst, de kritiek waarmee hij te maken kreeg, zowel van een uitgesproken rechter- en linkervleugel binnen zijn eigen kerkgemeenschap als vanwege de bredere samenleving die steeds meer van de christelijke religie vervreemdde. Dat ondervond hij in debatten over heikele dossiers zoals homofilie, euthanasie en stamcelonderzoek. Hij nam hier telkens een genuanceerde middenpositie in. Ondanks de soms onaangename aanvaringen slaagde de Mechelse kerkvorst er zo doorgaans in om blokkeringen te vermijden en het gesprek gaande te houden. Zijn vermogen om ‘complexe ethische standpunten in verstaanbare bewoordingen te brengen’ en om ‘de christelijke wereld- en mensvisie’ aan te bieden ‘als een intellectueel alternatief’ oogstte ook veel waardering. In de media gold hij als ‘een publieke intellectueel’ (p. 391) en door Georgetown University werd hij in 2003 vereerd met een eredoctoraat voor het bevorderen van de dialoog onder katholieke artsen en ethici ‘met een mix van loyaliteit aan het leergezag en aandacht voor de christelijk humanistische waarden’ (p. 394).

 

Het moeilijke einde

Maar er kwamen ook dossiers op tafel waarin dialoog nagenoeg onmogelijk was. Hoe een dialoog aan te gaan met Edwin Mortier na diens vernietigende uitval op de herdenkingsviering voor de na euthanasie overleden Hugo Claus? Hoe ook met Vlaams Blok-politica Alexandra Colen, die niet afliet om hem in Rome zwart te maken als een ‘zwakke kerkleider’? Het was ook moeilijk kersen eten met de contesterende (ex-)priesters die in 1992 overgingen tot de oprichting van de ‘Vlaamse Werkgroep voor Mensenrechten in de Kerk’. De aartsbisschop kwam wel tot een zeker vergelijk met een van de boegbeelden van de groep, Rik Devillé, maar de verhouding bleef koel. Zeker toen sommigen van hen in 2001 overgingen tot het initiatief van ‘rent-a-priest’, wat als een kaakslag werd ervaren door de kerk-loyale liturgist. Met de eigengereide homoseksuele priester Rudy Borremans verliepen de contacten al even moeizaam. Bovendien was sinds 1996, met de affaire Dutroux, het vraagstuk van de pedofilie volop in de actualiteit gekomen. Ook, en steeds nadrukkelijker, het kindermisbruik in de Kerk. De oprichting door Danneels van een meldpunt en vervolgens een Commissie voor de opvang van slachtoffers van seksueel misbruik door geestelijken konden niet echt aan de groeiende negatieve perceptie in de publieke opinie tegemoetkomen.

Deze problematische dossiers leken zich in de laatste periode van Danneels’ episcopaat te vermenigvuldigen. Toch had het er alle schijn van dat de Mechelse prelaat zijn ambtsperiode in schoonheid zou kunnen afsluiten. Het werd hem gegund om na zijn 75ste verjaardag in 2008 nog even als aartsbisschop te mogen aanblijven, zodat hij in zijn volle bevoegdheid het feestjaar 2009 kon voorgaan. De heiligverklaring van Damiaan en de viering van 450 jaar aartsbisdom werden toen met de nodige luister gevierd. Bij zijn afscheid in februari 2010 meende Danneels terecht met tevredenheid op zijn dertigjarige episcopaat te mogen terugblikken. Al moest hij wel de bittere pil slikken dat Rome eigenmachtig André Leonard als zijn opvolger naar voren had geschoven.

Maar het moeilijkste moest nog komen. 2010 ontvouwde zich, zoals de auteurs stellen, als een annus horribilis. Het pedofilieschandaal dat uitbrak in april rond de Brugse bisschop Roger Vangheluwe sleurde de hele Belgische Kerk en in het bijzonder ook de pas op rust gestelde kardinaal mee in zijn val. De beproefde methode van het omzichtige gesprek stootte hier op zijn grenzen. Ze suggereerde een betrokkenheid die er niet was. De daaropvolgende gerechtelijke ‘Operatie Kelk’, waarbij voor het oog van de media kerkelijke dossiers in beslag werden genomen, leek een bewuste strategie tot verdere beschadiging van het imago van de kerkvorst. ‘De brede waardering’ sloeg op korte termijn om ‘naar een brede afkeer’ (p.489). Het was een van de zeldzame momenten waarin de beproefde aartsbisschop-emeritus iets van zijn emoties liet blijken.

Toch openden zich in 2013, na enkele bijzonder moeilijke jaren, perspectieven op ‘nieuwe hoop’ (naar de titel van het laatste hoofdstuk van het boek). De goede wind kwam dit keer uit Rome. Het conclaaf dat toen plaatsvond na het onverwachte aftreden van Benedictus XVI verliep in een meer vrijmoedige sfeer dan acht jaar tevoren. Danneels kon er als kardinaal protopriester de programmapunten van de ‘Groep van Sankt Gallen’ opnieuw naar voren brengen. Zijn hoop op de verkiezing van een ‘Franciscus’ die tegemoet zou komen aan het collegialiteitsdenken en ook de schandaalsfeer zou aanpakken waarin de Kerk en het Vaticaan terecht waren gekomen, werd bewaarheid. Op 13 maart mocht een zichtbaar gelukkige Danneels als kardinaal-deken naast de nieuwe paus op het balkon van de Sint-Pietersbasiliek verschijnen. De viering van zijn tachtigste verjaardag in juni daaropvolgend in een overvolle Sint-Romboutskathedraal werd een louterende ervaring.

 

Een rijk gedocumenteerd levensverhaal

Het mag uit deze beknopte synthese van het boek inmiddels gebleken zijn dat Mettepenningen en Schelkens een bijzonder lezenswaardig werk hebben geschreven. Het leert ons niet alleen veel over de figuur van Danneels zelf, maar ook over de wereld(en) waarmee hij te maken kreeg. We worden geïntroduceerd in de rijkdom van de kerkelijke opleidingsmilieus in het midden van de 20ste eeuw. We realiseren ons de koortsachtige hervormingsactiviteiten waartoe Vaticanum II aanleiding gaf, onder meer op het vlak van de liturgie. We maken kennis met de interne keuken van de wereldkerk: achter het mooie concept van communio ging in de praktijk veel onenigheid, discussie en conflict schuil. Het boek is ook revelerend voor de belangrijke rol die religieuze wereldleiders kunnen spelen voor de internationale verstandhouding, achter de schermen van de politiek. Het palmares dat Danneels als zodanig kan voorleggen als diplomaat en beleidsmaker, zowel in kerkelijke als meer wereldgerichte organisaties, is zonder meer indrukwekkend.

De kardinaal was ook, zo lezen we bij herhaling, een vurig pleitbezorger van de belangen van de lokale kerk en de autonomie van de bisschoppen. Toch krijgt die lokale kerk relatief weinig aandacht. Het boek concentreert zich, zoals ook impliciet in de inleiding aangegeven, op het vatten van de ‘persoon’ van Danneels, niet op zijn aartsbisschoppelijke beleid. België komt weliswaar geregeld aan bod, in het bijzonder dan voor aangelegenheden waarin de aartsbisschop zich tegenover Rome te verantwoorden had (ethische kwesties, het debat over de katholiciteit van de universiteit, specifieke probleemdossiers). Maar Danneels’ dagelijkse bestuur als herder van zijn Mechelse en Belgische kerkgemeenschap blijft grotendeels buiten het vizier. Hoe vertaalde zijn onderlegdheid in liturgie en sacramentologie zich in zijn pastorale praktijk? Hoe gaf hij concreet gestalte aan de hem zo dierbare collegialiteitsgedachte in de omgang met zijn diocesane medewerkers en met de andere Belgische bisschoppen? Hoe ging hij om met de dramatische daling van het priesterbestand? Welke boodschap vinden we weerspiegeld in zijn pastorale brieven? Deze en andere vragen wachten nog op een antwoord. Pas als het verleden bestorven is, zullen de bronnen ten volle kunnen spreken.

De auteurs hebben zich in hun zoektocht naar informatie nochtans geen enkele moeite bespaard. Ze maakten gebruik van een overvloed aan materiaal, niet enkel archivalische en gepubliceerde, maar ook – nu het nog kan – vele orale bronnen, niet het minst een twintigtal gesprekken met de kardinaal zelf. Deze persoonlijke getuigenissen geven aan het werk de kleur van een eigentijds levensverhaal waarin vertelling de overhand heeft op analyse. Het zal als zodanig van unieke betekenis blijven voor verder historisch onderzoek over deze thematiek. Al is het, net vanuit die optiek, enigszins jammer dat - om begrijpelijke redenen van leesbaarheid en discretie - een gedetailleerd verwijzingssysteem ontbreekt. Deze bedenkingen doen evenwel niets af aan de waarde van deze vlot geschreven, historisch verantwoorde en rijk gedocumenteerde studie. Het is een boek van formaat over een kerkleider van formaat.

 

LIEVE GEVERS - LEUVEN

Em. hoogleraar Geschiedenis van Kerk en Theologie, Nieuwste Tijd
aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KU Leuven

[1] Jürgen Mettepenningen & Karim Schelkens, Godfried Danneels. Biografie, Kalmthout, Antwerpen: Pelckmans/Polis, 2015, 558p.

[2] Dit geldt met name voor de eerste twee kardinaal-aartsbisschoppen van Mechelen na de Belgische onafhankelijkheid: Aloïs Simon, Le Cardinal Sterckx et son temps (1792-1867), 2 dln, Wetteren: Éditions Scaldis, 1950; Maurice Bequé, Le Cardinal Dechamps, 2 dln, Leuven: Bibliotheca Alphonsiana, 1956. Over de volgende aartsbisschoppen, Pierre-Lambert Goossens (1883-1906), Désiré Mercier (1906-1926), Ernest van Roey (1926-1961) en Léon Suenens (1961-1979) is er al heel wat gepubliceerd, over de ene (soms veel) meer dan over de andere. Maar geen van hen kreeg al een diepgaande biografische synthese; zie Gerrit vanden Bosch, Een verleden in verzonken papier. 450 jaar aartsbisdom in archiefdocumenten en geschiedschrijving, in Het aartsbisdom Mechelen-Brussel. 450 jaar geschiedenis, dl. II, De volkskerk in het aartsbisdom. Een‘ vrije’ kerk in een moderne samenleving, 1802-2009, Antwerpen, Leuven: Halewijn/Kadoc, 2009, pp. 319-349, meer bepaald pp. 343-345. Ook voor de andere Belgische diocesen is de oogst karig. Er verschenen wel kortere biografische bijdragen over de bisschoppen in een aantal bisdomgeschiedenissen:  Michel Cloet, Boudewijn Janssens de Bisthoven & Robrecht Boudens (eds.), Het bisdom Brugge (1559-1984), Brugge: Westvlaams verbond van Kringen voor Heemkunde, 1984; Michel Cloet, Ludo Collin & Robrecht Boudens (eds.), Het bisdom Gent (1559-1991). Vier eeuwen geschiedenis, Gent: Werkgroep De geschiedenis van het bisdom Gent, 1991; Het aartsbisdom Mechelen-Brussel, 2 dln, Antwerpen, Leuven: Halewijn/Kadoc, 2009; Marcel Gielis, Leo Kenis, Guido Marnef & Karim Schelkens, In de stroom van de tijd. 450 jaar bisdom Antwerpen, Leuven: Davidsfonds, 2012.

Reacties:

Nog geen reacties op dit artikel.

Volg Thomas op